Rijnsdorp: Waar wetenschap geloven raakt

Korte bespreking van
John E. Rijnsdorp, Waar Wetenschap Geloven Raakt
( Budel: Damon 2005; 167 pp; ISBN 90-5573-630-9)

Dit boek is een persoonlijke verwoording van de relatie tussen wetenschap en geloof door een gepensioneerde ingenieur.

Hoofdstuk 1: Uitgangspunten
In dit hoofdstuk zet R. de uitgangspunten van zijn boek uiteen. Hieruit komt duidelijk naar voren dat R. wetenschap grenzen ziet aan wetenschap omdat "de natuurwetenschappelijke werkelijkheid … weinig van doen [heeft] met onze dagelijkse ervaring."(18) Ook is er een verschil in taal tussen wetenschappelijke en religieuze spreekwijzen. Toch wil R. niet blijven staan bij een boedelscheiding, omdat hij van mening is dat de moderne natuurkunde meer ruimte voor geloven biedt dan de klassieke deterministische natuurkunde. (30)

Hoofdstuk 2: Veranderingen van het wereldbeeld
In dit hoofdstuk schetst R. hoe de visie op hoe de wereld in elkaar zit in de loop der eeuwen is veranderd. Hij begint bij antieke wereldbeelden, via dat van de Grieken en de middeleeuwen, naar het wereldbeeld van de klassieke natuurkunde (met name het deterministische wereldbeeld van Newton), en het wereldbeeld van de moderne natuurkunde: relativiteitstheorie, kwantumtheorie en de evolutie van de kosmos. R. verwoordt het streven van de moderne natuurkunde naar een Theorie van Alles als de zoektocht naar de Natuurwet die achter alle natuurwetten schuil gaat en ze in zich verenigt. Die Natuurwet is voor R. "afkomstig van een Scheppende Intelligentie, dus niet van een ‘het’ maar van een ‘hij’/’zij’". (53) Ook bespreekt R. in dit hoofdstuk de filosofische ontwikkeling van de zoektocht naar de ultieme waarheid naar de erkenning van verschillende ‘gradaties’ van waarheid.

Hoofdstuk 3: Is het heelal een schepping?
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal, waar de Natuurwet vandaan komt. R. antwoordt: "die is ‘bedacht’, ‘doordacht’ en gerealiseerd door een Schepper, die ons ver te boven gaat en waarover we aleen in ontoereikende ‘antropomorfe’ (op menselijke maat toegesneden) termen kunnen spreken." (69) Vervolgens is het de vraag of deze ‘belijdenis’ nog wel volgehouden kan worden vanuit de visie van het moderne natuurwetenschappelijke wereldbeeld. Via een bespreking van het godsbeeld van de Verlichting, de ‘verlichte’ reacties op de godsbewijzen, de onvolmaaktheden in de schepping, moderne uitingen van ongeloof (Joeri Gagarin en Herman Philipse) een bespreking van de procestheologie, en een kritische bespreking van Sjoerd Bontings ‘chaostheologie’, komt R. uiteindelijk uit bij een belijdenis van hoe de Schepper en de ruimtetijd zich tot elkaar verhouden (86-90). Daaruit blijkt dat R. zich met name door de natuurwetenschappen laat inspireren. Hij erkent dat dit een vorm van natuurlijke theologie is, maar wel binnen de grenzen die door Paulus (in Rom. 1:20) zijn gesteld.

Hoofdstuk 4: Ontwikkeling van leven en cultuur
Dit is een hoofdstuk waar geloof en godsdienst weinig ter sprake komen, maar wel ethiek en menselijk gedrag. R. bespreekt in kort bestek wat wetenschappers te weten zijn gekomen over de relatie tussen biologie en scheikunde, en ook dat een reductie van biologie tot scheikunde zijns inziens niet mogelijk is. Hij erkent voluit dat de Darwiniaanse principes van variatie, selectie en overerving noodzakelijk zijn voor evolutie (en verwerpt dus Intelligent Design) en pleit er zelfs voor dat de kerken ‘de Darwinistische hypothese’ (sic!) volmondig zouden moeten aanvaarden: "Zo bieden ze ruimte aan biologen om volwaardig lid te zijn en tonen ze vertrouwen in de goddelijke Natuurwet (achter de nu bekende natuurwetten)." (104) Vervolgens volgt een uitgebreide wetenschappelijke bespreking van de relatie tussen biologie en cultuur.

Hoofdstuk 5: Goed en kwaad, inspiratie en verlossing
Dit hoofdstuk is overduidelijk het resultaat van een persoonlijke worsteling van de auteur tussen zijn geloof in een alles regulerende Natuurwet en het bestaan van lijden en kwaad. In dit hoofdstuk worden de verschillende ‘oplossingen’ van het theodicee-vraagstuk besproken en hun antithesen besproken. R. geeft daarbij aan dat het probleem van de theodicee niet echt oplosbaar is. (124) Zijns inziens zijn er twee opties overgebleven: Of het kwaad heeft een plaats in Gods scheppingsplan, of er is een Tegenstrever (een Duivel) aan het werk. De tweede optie vindt R. niet plausibel en hij opteert dan ook voor de eerste optie. Immers, wat wij als ‘kwaad’ en ‘lijden’ ervaren, heeft vanuit wetenschappelijk (evolutionair) oogpunt vaak een bepaalde functie tot continuering van het leven. Het tweede deel van het hoofdstuk gaat in op de vraag hoe we God kunnen ‘ervaren’ en eventueel over een kosmische verlossing kunnen nadenken. R. erkent het bestaan van ‘Inspiratie’, hoewel hij er niet over wil speculeren hoe Inspiratie mogelijk is, "omdat de Eeuwige machtig genoeg is om het op zijn manier te realiseren". (127) Inspiratie kan direct of indirect ervaren worden. Beide vormen van Inspiratie zijn in de joods-christelijke traditie aanwijsbaar, zoals R. uitlegt in een korte schets van de geschiedenis van het ‘Eerste’ en ‘Tweede’ Testament.

In een nawoord (143-145) vat R. de belangrijkste conclusies nog eens kort samen. In 5 bijlagen gaat hij tenslotte nog in op een aantal zaken die in de hoofdtekst geen plaats hadden (o.a. een kritiek op Herman Philipse).

Evaluatie
Dit boek speelt overduidelijk in op de groeiende belangstelling voor vragen omtrent de relatie tussen natuurwetenschap en religie. Toch is dit niet een boek wat wil meedrijven op wat in potentie een hype zou kunnen worden. Bovendien, voor wie al meer gelezen heeft op het gebied van godsdienst en wetenschap bevat het boek weinig wat niet al in andere boeken gevonden kan worden. Toch heb ik sympathie voor het boek en voor de schrijver. Het boek is vooral een neerslag en verwoording van een jarenlange worsteling van de auteur om wetenschap en zijn religieuze overtuigingen een plaats in zijn wereldbeeld te geven. Het is daarmee een moedig boek, omdat de auteur hier zijn eigen antwoorden open en bloot neerlegt en kritiek van anderen op zijn ideeën dus zal moeten verdisconteren.

%d bloggers liken dit: