“Tristesse”

Afgelopen dinsdagmiddag ben ik geïnterviewd door een journalist van het Fries Dagblad, naar aanleiding van de verschijning van mijn boek. Het was een lang gesprek dat duurde van ongeveer 2 tot 5 uur ’s middags. Het was echter een goede middag, tenminste in mijn beleving. De journalist stond vanuit zijn persoonlijke overtuiging erg kritisch ten opzichte van de implicaties van mijn boek. Hij vond de boodschap van het boek te relativistisch en te deconstructief. Ik vond dat best aardig. Hij liet mijn boek en mijn ideeën in hun waarde – hoewel hij het er niet mee eens was – en ondertussen hadden we een goed gesprek. Bovendien heeft het een mooi artikel opgeleverd.

Vanmorgen kreeg ik het artikel toegemaild. In de begeleidende e-mail stond een zin die me aan het denken zette. Hij schreef dat de God die uit mijn boek naar voren komt eigenlijk geen gezicht meer heeft. Dat zou een methodologische kwestie kunnen zijn, maar hij meende van niet. De journalist ontwaardde namelijk in mijn boek een ongrijpbaar soort van ‘tristesse’ die door mijn denkbeelden en verwoording heen zweefde.

Ik heb daar vandaag vaak over moeten nadenken. Is dat zo?, vroeg ik me af. Zit er een onderhuidse ‘tristesse’ in het boek? Ik ben benieuwd of andere lezers dat ook zo proeven. Ik zelf heb dat niet zo ervaren. Het schrijven van het boek heb ik zelfs ervaren als een soort louteringsproces (hoewel dat erg zweverig klinkt). Ik had het idee dat ik mijn eigen ideeën nu eens een keer in goede bewoordingen had gevangen. Zoals ik ook op mijn boekenwebsite (www.godendemenselijkemaat.nl) schrijf, het boek ‘klopt’ op de een of andere manier, de onderdelen hangen niet als los zand aan elkaar, maar vormen ook niet – tenminste niet voor mijn gevoel – een sluitend systeem. Als dat laatste het geval zou zijn, dan zou dat immers veel van wat ik in hoofdstuk 12 en de epiloog schrijf teniet doen! Het blijft fragmentarische theologie.

Maar toch – die ‘tristesse’. Iets ervan herken ik wel. Op een gegeven moment dinsdagmiddag vroeg de journalist wat ik eigenlijk nog met de woorden van Jezus kan aanvangen, dat "wie Mij gezien heeft, de Vader gezien heeft". Ik merkte dat bij de journalist hier iets onder zat. Dit was zijn anliegen. Dit was zijn houvast, zijn veilige thuishaven, zijn verankering. Dat heb ik inderdaad niet. Ik antwoordde dan ook, eerlijk maar relativistisch, dat we eigenlijk geen flauw benul hebben van wat Jezus eigenlijk gezegd heeft. De evangelieschrijvers kenden Jezus waarschijnlijk alleen van horen zeggen. De woorden die zijn opgeschreven worden door de meeste exegeten opgevat als constructies van de evangelisten. Misschien dat die woorden overeen komen met wat Jezus bedoeld heeft, of een uiting waren van eigen creativiteit – we zullen het nooit weten.

Mijn ‘tristesse’ is het gebrek aan zekerheid, aan houvast, aan een anker. Enerzijds is dat inderdaad een ‘tristesse’. Ook ik wil me graag geborgen voelen, me ergens aan kunnen vasthouden, me ergens aan kunnen geven. Maar waaraan? Ik ben veel te bang dat ik mijn eigen denkbeelden ga verafgoden, dat ik mijn menselijke maat tot canon ga verheffen. Ik merk dus dat ik mezelf voortdurend aan het relativeren ben – ik ben als het ware voortdurend in beweging.

Je zou kunnen zeggen dat God of het geloof in God voor mij een soort van ‘vreemde aantrekker’ is, een strange attractor – een begrip uit de chaoswiskunde. Ik cirkel er voortdurend omheen, soms wat dichterbij, soms verwijder ik me wat – maar ik kom van de aantrekkende kracht van de aantrekker niet los. Tegelijkertijd heb ik geen idee wat die aantrekker eigenlijk is, want hij blijft in zekere zin onzichtbaar. Ik krijg er geen grip op. Het bestaan van de aantrekker wordt alleen zichtbaar in de bewegingen eromheen (d.w.z. het geloof van de mensen die deel hebben aan de christelijke traditie, in verleden, heden en toekomst). Het enige wat ik weet, is dat ik er niet los van kom, dat ik erdoor blijf aangetrokken.  Ook heb ik het gevoel dat ik in beweging moet blijven. Bewegingloosheid is dood, ook de dood van ideeën. Vandaar dat relativistische, dat dynamische.

Ik bedoel overigens met relativisme niet dat anything goes, zoals het wel eens wordt begrepen. Er gaat veel, maar niet alles. Zoals ik in mijn boek uitleg, kan ik best geloven dat er ergens een ultieme Waarheid is – alleen betwijfel ik of we die ooit zullen (kunnen) kennen. We hebben alleen onze eigen, kleine waarheden. Waarheden die gestalte krijgen in de omgang met andere mensen. Noem het concensus, vind ik best. Geloofswaarheden zijn voor mij geen waarheden, maar blijken van concensus – die echter altijd contextbepaald zijn en waar dus aan getornd kan, mag en misschien zelfs moet worden.

Ja, ik geloof zeker dat er sprake is van een zekere ‘tristesse’ in mijn denken. Maar ‘tristesse’ is geen depressiviteit of terneergeslagenheid. Ik a niet bij de pakken neerzitten. Integendeel! Ik lees het woord als een synoniem voor weemoed. En dat is het ook. Het is een verlangen waarvan ik weet dat het niet beantwoord kan worden. Of liever: dat ik van mezelf wel weet dat ik waarschijnlijk met geen enkel antwoord genoegen kan nemen. Maar voor mij is die tristesse ook de stimulans om door te gaan, door te blijven denken, door te blijven twijfelen, door te blijven zoeken… want ik kán gewoon niet anders…

 

Korte aanvulling:
Hoewel de metafoor van geloof als ‘vreemde aantrekker’ mijn eigen uitvinding is (voor zover ik weet), is het idee geïnspireerd op de notie dat een religieuze ‘canon’ of traditie een gravitational pull heeft. Deze notie wordt door door de Amerikaanse theoloog Delwin Brown gebruikt in een boek wat de spanning tussen heden, verleden en toekomst van een traditie beschrijft. Een ‘canon’ is een verzameling geloofsverwoordingen die door ‘onderhandelen’ en ‘spel’ (negotiation and play) tot stand zijn gekomen. Brown zegt nu:

Like that of a galaxy, the gravitational force of a canon, though real, is interactive. What a canon means, its ‘ pull,’  is a product of its own internal structure – that vast and ever-changing complex of possible meanings – only as this structure relates to and is construed in the always plural history of its interpretive relations. (76f.)

Voor Brown is een religieuze traditie of een ‘canon’ dan ook een galaxy of meanings. Pluraliteit, dynamiek en relativiteit staan voorop, zonder dat dit tot nihilisme of een anything goes-relativisme leidt.

Zie: D. Brown, Boundaries of Our Habitations: Tradition and Theological Construction. Albany: State University of New York Press 1994.

, , , ,

  1. #1 door Jan A. Riemersma op 15 augustus 2006 - 19:35

    Geachte heer T.Smedes,
    Uw boek is prachtig geschreven en een wonder van helderheid. Er zijn echt niet veel boeken die zich zo eenvoudig laten lezen. Uw idee dat alles op de juiste plaats staat (na veel passen en meten) is zeker juist. Ook een boek om jaloers op te worden, want ik vermoed dat nogal wat mensen zo’n boek zouden hebben willen schrijven. Bovendien is het een slim boek: het slaagt er in om theologische onderwerpen op een vanzelfsprekende manier voor het voetlicht te brengen. Uw presentatie belicht het geloof als een ‘doodgewone’ zaak: de argumentatie is helder -ik zou me kunnen voorstellen dat een verstokt atheist, nadat hij God en de menselijke maat heeft gelezen, bij zichzelf denkt: nou, als je er zo tegen aan kijkt, is het geloof eigenlijk zo gek nog niet…
    Het boek is zondermeer zeer geslaagd. Punt.

  2. #2 door Taede A. Smedes op 15 augustus 2006 - 20:05

    Geachte heer Riemersma,
    Dit is werkelijk een reactie waar ik heel rood van verlegenheid van word, maar ook ontzettend blij…
    Taede

  3. #3 door Pieter Navis op 9 juli 2007 - 01:53

    Beste meneer Smedes,
    Ik ben net begonnen in uw boek (meen dat ik nu in hoofdstuk 2 of 3 ben aanbeland) maar ik kan nu al zeggen dat het mij intrigeert. Zeer veel punten waar ik al een tijd (ondanks mijn 24 jaar al matig geinteresseerd in alles in deze wereld) mee ‘worstel’. Maar tegelijkertijd herken ik ook veel in wat u schrijft. Ik was vroeger toch wel een atheist, of ik noemde me er zelf in ieder geval 1. Toen ik klein was echter, was het enige wat ik eigenlijk deed me verwonderen over de grootsheid van het leven. En ik ben blij dat ik uw boek ben tegengekomen, want het helpt mij dat gevoel weer een juiste plek te geven. Geen man met een baard, maar een beschrijving van iets dat eigenlijk niet te beschrijven valt.
    Zoals Nietzsche ooit al zei blijven we natuurlijk “menselijk, al te menselijk”
    Dus die ultieme waarheid is waarschijnlijk te groot voor ons voorstellingsvermogen. Maar gedoseerd en wel vinden wij inderdaad onze eigen persoonlijke waarheden en delen we deze met vrienden, familie en kennissen.
    “Life understood IS life lived” (uit de film: Waking Life, 2001)
    Mvg
    Pieter

%d bloggers liken dit: