Nederland en Evolutie – het artikel

Het (ongepubliceerde) artikel wat hieronder integraal is afgedrukt was aanleiding voor het interview in NRC Handelsblad van 26 augustus 2006. Klik HIER om het onderstaande artikel als PDF te downloaden.


Van Verlichting naar Verduistering

Nederland scoort in recente evolutiepeiling – maar niet zoals gehoopt

Door Taede Smedes

Toen in januari 2006 de resultaten van een Brits onderzoek naar de acceptatie van evolutie onder Britse burgers bekend werden, heerste er alom paniek. Maar liefst 40 procent van de ondervraagden meende dat creationisme en Intelligent Design – de stroming die vindt dat Darwins evolutietheorie aangevuld moet worden met de werkzaamheid van een bovennatuurlijke intelligente ontwerper – op scholen onderwezen moesten worden.[1] Afgelopen juni was er in België nog commotie over een onderzoek van het tijdschrift EOS, waarin 15% van de gelovige wetenschappers in België aangaf ID als een volwaardig alternatief te beschouwen voor de evolutietheorie.[2] En net als in Italië en Polen, woedde in 2005 ook in Nederland een discussie over ID, naar aanleiding van een uitlating van Minister van der Hoeven op haar weblog. Sommige wetenschappers uitten toen de vrees dat als ID eenmaal op de publieke agenda stond, Nederland binnenkort het ‘Kansas van Europa’ zou worden. De vraag is dus reëel: gaat het werkelijk zo slecht met de evolutietheorie in Europa?

Het valt allemaal best mee, zo blijkt uit het vergelijkend onderzoek naar de acceptatie van evolutie in Amerika, Japan en Europa, dat onlangs in het toonaangevende tijdschrift Science gepubliceerd werd.[3] Uit dat onderzoek werd schrijnend duidelijk dat het in Amerika bijzonder slecht gesteld is met de evolutietheorie – alleen Turkije, een land dat schippert tussen een seculiere en een theocratische regeringsvorm – doet het slechter. De bioloog Gert Korthof vond dat niet verrassend, zoals hij op zijn evolutie-weblog schreef: “Amerika is in technologisch opzicht geavanceerd, maar wat betreft geloof doet het niet onder voor Staphorst”.[4]

Het onderzoek

Het recente onderzoek was uitgevoerd door Jon Miller (Michigan State University), Eugenie Scott (National Center for Science Eduction) en Shinji Okamoto (Kobe University, Japan). Vanaf 1985 tot 2005 vroegen zij aan Amerikaanse burgers of ze de bewering “Mensen, zoals wij ze kennen, zijn ontwikkeld uit eerdere diersoorten” juist of onjuist vonden of het antwoord niet wisten. De antwoorden die gedurende 20 jaar op die vraag waren gegeven, werden vergeleken met onderzoeken uit 2002 (negen Europese landen), uit 2005 (32 Europese landen) en een nationaal onderzoek uit Japan uit 2001.

Enerzijds lijken de uitkomsten niet opzienbarend: dat veel Amerikaanse burgers grote problemen hebben met de evolutietheorie, dat was wel algemeen bekend. Maar dat de Amerikaanse vijandigheid zo groot was, dat frappeerde wel degelijk. Uit het onderzoek kwam naar voren dat maar liefst 30 procent van de Amerikaanse burgers de evolutietheorie als “volstrekt onjuist” naar het rijk der fabelen verwijst. In Europa schommelde dit percentage tussen 7 procent in Denemarken, Frankrijk en Engeland, en 15 procent in Nederland.

Tegelijkertijd worden er trends zichtbaar in de Amerikaanse opinie over evolutie. In 20 jaar tijd is het aantal volwassenen dat evolutie voluit accepteert gedaald van 45 procent naar 40 procent. Het aantal volwassenen dat evolutie ronduit verwerpt is eveneens gedaald van 48 % in 1985 tot 38 % in 2005. Het aantal volwassenen dat onzeker is over de juistheid of onjuistheid van evolutie is gestegen van 7 naar 21 procent. De onderzoekers concluderen dat na 20 jaar publieke discussie over evolutie, de publieke opinie ongeveer evenredig verdeeld lijkt te zijn als het gaat om acceptatie of verwerping van evolutie. Echter, één op de vijf volwassenen weet het nog steeds niet helemaal of weet zelfs niet eens waar evolutie om draait. Dit patroon komt volgens de onderzoekers overeen met sporadische onderzoeken die Amerikaanse kranten in de afgelopen jaren hebben gehouden.

Maar polls leveren alleen cijfers, we zijn ook nieuwsgierig naar de factoren die aan deze cijfers hebben bijgedragen. Aan die nieuwsgierigheid komen de onderzoekers gelukkig ook tegemoet. Heel eenvoudig gezegd komt het erop neer dat er een kloof gaapt tussen Amerika en Europa in de wijze waarop tegen wetenschap wordt aangekeken. Amerikanen kijken naar wetenschap door een religieuze en een politieke bril. In Europa blijken die brillen vrijwel verwaarloosbare effecten te hebben als het gaat om wetenschap.

Fundamentalistisch protestantisme

De eerste oorzaak die de onderzoekers noemen is het eigenaardige karakter van het fundamentalistische protestantisme in Amerika. Veel fundamentalistische protestanten lezen de Bijbel letterlijk, als een “opslagplaats van feiten”, zoals de Amerikaanse theoloog Charles Hodge (1797-1878) het uitdrukte.

De letterlijke lezing van het scheppingsverhaal uit Genesis heeft zijn wortels in de vroeg 18e eeuwse Protestantse theologie die geïnspireerd was door de Schotse ‘common sense’ filosofie. Deze filosofie, die met name door Thomas Reid (de tegenhanger van de sceptische David Hume) was ontwikkeld, meende dat onze dagelijkse waarneming van de wereld om ons heen overeenkomt met hoe die wereld is. Amerikaanse theologen trokken dit principe door naar het lezen van de Bijbel: er staat wat we lezen. Dus als er stond dat ‘in den Beginne’ God hemel en aarde gemaakt had en de mens had geschapen, dan was dat zo, aangezien de Bijbel het onfeilbare Woord van God was. Als wetenschappers een andere mening waren toegedaan, dan hadden zij dus ongelijk. Theologen beschouwden de Bijbel als een boek vol natuurkundige feiten en theologie als een natuurwetenschappelijke aangelegenheid.

Veel Amerikaanse gelovigen leven nog altijd met de onfeilbaarheid van de Schrift en de letterlijke lezing ervan. Zelfs de meest liberale Amerikaanse theologen moeten vaak even slikken wanneer naar hun bijbelopvatting gevraagd wordt. De historische bijbelkritiek en de daaruit voortkomende hermeneutische filosofie hebben in Amerika nooit veel voeten aan de grond gekregen. En dat terwijl juist in Europa de historische bijbelkritiek een zeer sterke factor was die zelfs tot uitgesproken religiekritiek leidde in de 19de eeuw. Met name in de invloedrijke Duitse theologie aan het einde van de 19e eeuw, is dan ook een sterke ‘antropologisering’ van de theologie zichtbaar: theologie richt zich niet langer op de inhoud van het geloof, maar op de praktijk van geloven. Religieuze geloofsuitingen worden op hun waarde voor een ethisch goede levenshouding beoordeeld, waarbij de vraag of wat geloofd werd ook ‘waar’ is, niet langer belangrijk lijkt. Het is een terugtrekkende beweging, waarbij ook het metaforische karakter van bijbelse taal sterkere nadruk krijgt. Ook in Nederland is die Duitse ‘liberale’ theologie invloedrijk, en komt pas in de 20e eeuw de letterlijke bijbellezing in de mode, zoals de ‘kwestie Geelkerken’ over de sprekende slang uit Genesis (1926) laat zien. Dit gebeurt echter pas nadat Nederlandse theologen, zoals Abraham Kuyper, een bezoek brengen aan Princeton Theological Seminary, toen het fundamentalistisch-protestantse bolwerk van Amerika.

Politiek en wetenschappelijke kennis

Als tweede oorzaak voor de sterke anti-evolutionistische houding van veel Amerikanen noemen de onderzoekers de politisering van de evolutietheorie in Amerika. De evolutie is van een wetenschappelijke tot een politieke zaak geworden. Amerikaanse politici grijpen evolutie aan als retorische strategie om de zieltjes van conservatieve kiezers te winnen. Er is geen enkel Europees land dat partijen heeft met evolutie als politiek speerpunt. Je kunt het ook and
ers zeggen: terwijl in Europa politieke voorkeur geen invloed lijkt te hebben op iemands positie ten aanzien van evolutie, is dat in Amerika wel degelijk het geval, meestal in negatieve zin.

Een derde belangrijke oorzaak is volgens de onderzoekers kennis van wetenschap. Met name kennis van genetica lijkt een positief effect te hebben op de acceptatie van evolutie, zowel in Amerika als in Europa. Dus lijkt de remedie om anti-evolutionistische tendensen tegen te gaan heel eenvoudig: versterk het wetenschapsonderwijs. Dat is echter volgens de onderzoekers slechts in beperkte mate een oplossing. “De verwerping van evolutie kan niet simpelweg worden opgelost door er maar wat natuurwetenschap tegenaan te gooien”, menen zowel Eugenie Scott als Jon Miller.[5] Creationisten blijven toch creationisten. Bovendien, veel volwassenen in Amerika weten wel iets van genetica, maar er heerst verwarring over de details. Zo citeren de onderzoekers een studie uit 2005 die laat zien dat maar liefst 78 procent van de volwassenen gelooft dat er evolutie is van planten en dieren. Echter, van diezelfde groep meent 62 procent dat God de mens zonder evolutionaire ontwikkeling heeft geschapen: de mens neemt in de natuurlijke orde een bijzondere status in. De onderzoekers concluderen dan ook dat er grote verwarring heerst over een aantal centrale ideeën uit de 20ste en 21ste eeuwse biologie en dat wetenschappelijk onderwijs maar een heel beperkt effect op deze verwarring heeft gesorteerd. Toch zijn de onderzoekers voorstander van meer en beter wetenschappelijk onderwijs al vanaf de basisschool. Je moet toch ergens beginnen met de strijd tegen groeiende domheid.

Andere factoren

Andere oorzaken die de onderzoekers noemen zijn gerelateerd aan de drie genoemde en belangrijkste factoren. Ook hoe tegen technologie wordt aangekeken blijkt van invloed te zijn op de mening over evolutie.[6] Een onderzoek uit 2002, uitgevoerd door de University of California naar de invloed van wetenschap en religie op de visie van Amerikanen op milieuvraagstukken, had al laten zien dat wetenschap en technologie in Amerika evenveel vertrouwen genieten als godsdienst.[7] Het vertrouwen in technologie en religie was, zo net na ’11 september’, zelfs hoger dan het vertrouwen in de politiek! “Toch”, schrijft Jim Proctor, een van de initiatiefnemers van het onderzoek, “is er een sterke correlatie tussen vertrouwen in religie en vertrouwen in de overheid. Mensen die religie lijken te vertrouwen of te wantrouwen, lijken eenzelfde houding in te nemen ten opzichte van de overheid”.[8] Godsdienst en politiek lijken twee handen op één dikke buik.

Ook in Europa staan burgers over het algemeen positief tegenover technologische ontwikkelingen. Toch zijn er in Europa ook kritische geluiden ten aanzien van technologie merkbaar, wat niet verwonderlijk is, wanneer je bedenkt dat Europa binnen vijftig jaar tot twee keer toe werd verscheurd door technologische oorlogen. Het recente onderzoek van Miller, Scott en Okamoto laat zien dat in Europa een positieve en een negatieve houding ten aanzien van technologie beide van invloed zijn op hoe over evolutie wordt gedacht.

Dit is in scherpt contrast met de Amerikaanse situatie, waar visies op technologie geen enkel effect hebben op meningen over evolutie! Wel blijkt een positieve houding ten opzichte van technologie effect te hebben op iemands politieke voorkeur, terwijl een negatieve houding ten aanzien van technologie geen enkele verdere consequenties heeft. Ook technologie (met name wanneer het gaat om technologieën van leven of dood: euthanasie, abortus, stamceltherapie, etc.) is dus in Amerika sterk gepolitiseerd. Technologie, wetenschap, religie – in Amerika is het is één groot web van betrekkingen.

Volgens Scott is de grootste boosdoener het twijfel zaaien over evolutie. Scott meent dat “het promoten van onzekerheid over evolutie net zo slecht is als de evolutie ronduit ontkennen. Intelligent Design en creationisme verkondigen precies die boodschap. Beiden zeggen dat evolutie slechte wetenschap is, dat evolutie zwak is en inadequate wetenschap, dat het niets oplost, en dus heeft God het gedaan”. Bruce Chapman, directeur van het Discovery Instute in Seattle (de denktank van de ID-beweging) interpreteert de resultaten van het onderzoek veel positiever. Volgens hem toont het hoge percentage twijfelaars in Amerika aan “dat de burgers van dit land hun beroemde onafhankelijkheid laten zien en zich niet geven aan wat voor ideologische elite dan ook”.[9]

Nederland in de achterhoede?

Het lijkt dus voor Nederland allemaal wel wat mee te vallen – of toch niet? In veel persberichten werd gesteld dat Europa er in het algemeen best goed vanaf kwam. Maar wie de resultaten van het onderzoek zelf bestudeert, ziet wel degelijk verschillen tussen Europese landen onderling. Het zijn verschillen die een grootschalig Europees onderzoek naar de status van de evolutietheorie binnen Europa rechtvaardigen.

Een extra tabelletje in het supplementaire materiaal op de Science-website laat de resultaten zien van een onderzoek naar de status van evolutietheorie in 2002-2003:

In dit onderzoek waren niet drie, maar vijf antwoorden mogelijk: ‘zeker waar’, ‘waarschijnlijk waar’, ‘niet zeker’, ‘waarschijnlijk onjuist’, en ‘zeker onjuist’. Het lijkt erop dat de Miller, Scott en Okamoto bij de uitkomsten de categorieën ‘zeker waar’ en ‘waarschijnlijk waar’ bij elkaar hebben opgeteld als voorstanders van de evolutietheorie, terwijl ‘waarschijnlijk onjuist’ en ‘zeker onjuist’ als tegenstanders werden betiteld.

Maar wie ‘waarschijnlijk’ zegt, is toch niet helemaal overtuigd? Hier wordt het pikant.

Wie het tabelletje bekijkt ziet dat de Denen het zekerst van hun zaak zijn. Meer dan 50 procent zegt dat evolutie zeker waar is, en nog eens 30 procent zegt dat het waarschijnlijk waar is. Van alle Europese landen staat Nederland onderaan, net boven de Verenigde Staten en Polen. Slechts 25 procent van de Nederlandse burgers zegt dat de evolutietheorie zeker waar is, terwijl bijna 40 procent meent dat de evolutietheorie waarschijnlijk klopt. 15 procent van de Nederlandse bevolking verwerpt evolutie ronduit en daarmee heeft Nederland het hoogste percentage evolutie-ontkenners van Europa. Als je ‘waarschijnlijk’ enigszins cynisch als een ander woord voor ‘gerede twijfel’ beschouwt, dan twijfelt dus maar liefst 70 procent van de Nederlandse bevolking in meerdere of mindere mate aan het gelijk van de evolutietheorie.

Dat was de situatie in 2002-2003. Uiteraard schreeuwt dit om verder onderzoek. Als mocht blijken dat de cijfers van het Amerikaanse onderzoek ten aanzien van de Europese landen kloppen, dan lijkt enige angst gewaarborgd. Terwijl Amerikaanse evangelistenbewegingen steeds meer invloed in de Nederlandse kerken en onder jongeren krijgen, klagen universiteiten over de belabberde natuurwetenschappelijke kennis van nieuwe studenten, ondanks of dankzij de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen jaren. En zoals de Amerikaanse onderzoekers aangeven: als een belabberde wetenschappelijke achtergrondkennis eenmaal aanwezig is, is het ontzaglijk moeilijk om daar nog iets aan te veranderen. Daardoor is een reëel doemscenario ontstaan dat Nederland nog verder wegzakt. Voordat je het weet blijkt Nederland na 20 jaar toch tot het Kansas van Europa te zijn geëvolueerd.

Bio:

Dr. Taede A. Smedes is godsdienstfilosoof en theoloog en gespecialiseerd in de interactie van godsdienst en wetenschap. Hij publiceerde recentelijk God en de Menselijke Maat: Gods Handelen en het Natuurwetenschappelijke Wereldbeeld (Zoetermeer: Meinema 2006).


[1] http://news.bbc.co.uk/go/pr/fr/-/2/hi/science/nature/4648598.stm.

[2] EOS: Actueel Maandblad over Wetenschap en Technologie, no. 6: juni 2006, 28-35.

[3] 11 augustus 2006.

[4] Gert Korthof, “Is evolutie waar?”, http://evolutie.blog.com/960745/.

[5] K. Than, “U.S. Lags Behind Europe, Japan in Acceptance of Evolution”, http://www.foxnews.com/story/0,2933,207858,00.html (en elders op het Internet te vinden).

[6] Zie het Supporting Online Material for “Public Acceptance of Evolution” op de Science-website: http://www.sciencemag.org./cgi/content/full/313/5789/765/DC1

[7] http://real.geog.ucsb.edu/research/esr/home.html; zie ook: J.W. Proctor, “In __ We Trust: Sciencek Religion, and Authority”, in: J.W. Proctor (ed.), Science, Religion, and the Human Experience (Oxford/New York: Oxford University Press 2005), 87-108.

[8] Proctor, “In __ We Trust”, 93.

[9] Beide geciteerd in K. Than, “U.S. Lags Behind Europe, Japan in Acceptance of Evolution”, (noot 5).

%d bloggers op de volgende wijze: