Religie als evolutionair verschijnsel? Waarom niet?

‘Religie als overlevingsstrategie? – Tsja, waarom niet?’

Een godsdienstfilosoof buigt zich over het evolutionaire karakter van religie

Als godsdienst als een evolutionair verschijnsel verklaard kan worden, betekent dit dan dat geloof in God een illusie is? Recentelijk is deze vraagstelling pregnant geworden door boeken van filosofen als Daniel Dennett, Pascal Boyer, en Richard Dawkins. De godsdienstfilosoof en theoloog Taede A. Smedes deelt de visie dat godsdienst een evolutionair verschijnsel is, maar meent dat de conclusie dat geloof in God een illusie is niet noodzakelijk daaruit volgt.

Door Taede A. Smedes

Onlangs kreeg ik de volgende vraag voor mijn kiezen:

“Zijn er gelovige evolutionisten die ook bereid zijn het geestelijke volledig tot het domein van de biologie te rekenen?”

Je kunt je de vraag stellen: Wat wordt er hier met “het geestelijke” bedoeld? Op de achtergrond speelt mee de vraag of religie ook tot het bereik van de biologie gerekend zou kunnen worden. Want als religie tot het bereik van de biologie gerekend kan worden, wat is dan nog de ‘ontologische status’ van God – met andere woorden, kunnen we dan nog iets zeggen over het bestaan van God)?

Ik ben een (min of meer) gelovige die de evolutietheorie voluit accepteert. En ik zou als godsdienstfilosoof en theoloog de stelling dan ook helemaal voor mijn rekening willen nemen, dat ook het geestelijke biologisch volledig verklaarbaar is. Dat lijkt een rare uitspraak voor een theoloog en zelfs tegenstrijdig. Immers, als je zoiets beweert, valt God dan niet automatisch af als een soort hersenspinsel? Heeft Dawkins dan toch gelijk wanneer hij stelt dat het geloof in God een ‘virus van de geest’ is? Ik denk dat die conclusie niet getrokken hoeft te worden. De kwestie is deze: Zelfs als het geestelijke volledig verklaard kan worden, dan zegt dit nog niets (a) over de ervaring van gelovigen van het transcendente (God, mysterie, noem maar op), en (b) het zegt niets over het transcendente zelf. Ik zal dat uitleggen met behulp van een analogie.

Ervaring

M.b.t. (a): Iemand die verliefd is, die kan prima weet hebben van de chemische en neurofysische basis van verliefdheid (hormonen, etc.). Maakt dat de verliefdheid minder reëel? Niet noodzakelijkerwijs, want de ervaring van verliefdheid is net zo reëel als de hormonen etc. die ermee verbonden zijn. Tenzij je een reductionistische positie inneemt (zoals bijv. Dawkins doet) en zegt dat de ervaring een illusie is, dus niet echt, omdat het een biologische basis heeft. In dat geval zeg je dat de biologische verklaring niet alleen volledig is, maar ook nog eens uitputtend: niet alleen is biologisch gezegd wat er te zeggen valt, maar er valt überhaupt niets meer over te zeggen. Die laatste stap gaat veel verder. Die stap gaat boven de biologische vraag uit, en begeeft zich eigenlijk al op het gebied van levensbeschouwing, want een wetenschapsfilosoof kan je dan altijd de vraag stellen: “Hoe weet je dat die biologische verklaring uitputtend is?” Het is op dit punt dat het biologisch discours stopt en het metafysische of levensbeschouwelijke discours het overneemt.

Ik heb het hierboven over verliefdheid gehad, maar je kunt een analoge redenering over religie opzetten. Ook religie heeft ongetwijfeld evolutionaire wortels, net als alle uitingen van menselijke cultuur. Dat is helemaal geen probleem. Biologie is vanuit mijn optiek geen vijand van religie. Tenminste, wanneer biologen de grenzen van hun vakgebied en hun eigen uitspraken in acht nemen. Een reductionistische of reductionistisch-materialistische opvatting van biologische verklaring kan een vijand van religie zijn. Maar een reductionistisch-materialistische visie is metafysisch van aard en sluit weliswaar aan bij biologische data, maar wordt er niet dwingend door opgeroepen. Ik kom hier dadelijk op terug.

Existentie

T.a.v. (b): Verliefdheid heeft een bepaald ‘object’ (dat klinkt niet zo aardig, maar goed). Met andere woorden, verliefdheid heeft een ‘intentioneel moment’, want je gevoelens van verliefdheid richten zich op iemand. Ook religieus geloof – in ieder geval het christelijk geloof – heeft zo’n intentioneel moment. ‘Geloven’ is ook een zich richten op… Maar hier lopen we wel tegen de grenzen van onze analogie aan. Want in het geval van verliefdheid is er vaak sprake van een tastbaar object (tenzij je verliefd wordt op een filmster, want die is, als alle make up is verwijderd, vaak een illusie). Bij geloof in het transcendente kun je zo’n tastbaar object niet aanwijzen. Betekent dat dan dat dit object niet bestaat? Nee, die conclusie kun je niet trekken. De bioloog zou dan zijn/haar boekje te buiten gaan als hij/zij die conclusie wel zou trekken. Menselijk gesproken past ten aanzien van het al dan niet bestaan van het transcendente een agnostische houding: we moeten uiteindelijk erkennen dat we het niet weten. (Die laatste uitspraak kan overigens ook aan veel gelovigen zelf worden gericht.)

Dennett & religie

Dat is ook het aardige van het recente boek van Dennett (Breaking the Spell: Religion as a Natural Phenomenon, New York: Viking Penguin 2006). Dennett noemt zichzelf een “Bright” en suggereert voortdurend tussen de regels van zijn boek door, dat godsdienst eigenlijk allemaal onzin is en op zelfbedrog berust, hoewel er af en toe iets moois uit dat zelfbedrog kan ontstaan, zoals kunst en muziek. Toch, als puntje bij paaltje komt moet Dennett zich inhouden om een expliciete uitspraak in de richting van de niet-werkelijkheid van religie te doen. Want een dergelijke bewering zou immers niet meer binnen het kader van de biologie vallen. Het zou een levensbeschouwelijke of metafysische bewering zijn. (Met andere woorden: ik heb, waarschijnlijk in tegenstelling tot veel Amerikanen, ook helemaal geen probleem met Dennetts pleidooi voor een biologie van de religie. Immers, het zou juist de kennis van de wortels van religie verdiepen en als een soort van zelfkennis kunnen functioneren.) Dennett, en feitelijk iedere bioloog, kan niets over het bestaan van het transcendente zeggen op biologische gronden.

Reductionisme en sciëntisme

Opnieuw, alleen als je een reductionistische positie inneemt, waarin je dus claimt dat de biologische verklaring niet alleen volledig, maar ook uitputtend is, dan ben je uitgepraat over religie. Dan wordt religie een illusie, evenals verliefdheid, muziek en andere kunst (esthetica) en vele andere cultuuruitingen. Dan wordt ook het bestaan van het transcendente een illusie. Helaas zijn er biologen die hun grenzen niet kennen en toch hun biologische boekje op een dergelijke manier te buiten gaan.

Wat gebeurt er eigenlijk als die reductionistisch-materialistische zienswijze wordt gehanteerd? De Zweedse godsdienstfilosoof Mikael Stenmark heeft in zijn prachtige boek over sciëntisme geschreven:

science cannot exclude the possibility that there are dimensions of reality which are neither describable in scientific language nor accessible to scientific explanations, simply because that issue is beyond the competence of science. We must also remember that the issue is not whether one can claim that science gives an exhaustive account of reality, but whether that claim is a scientific claim. But it cannot be a scientific claim since it cannot be evaluated by means of scientific investigation and experimentation. Rather it must be an extra-scientific claim, a philosophical claim, and when a claim such as this is added to science, you typically end up with a particular ideology, namely scientific materialism.

(M. Stenmark, Scientism: Science, Ethics, and Religion. Aldershot: Ashgate 2001, 23.
)

Stenmark verwoordt hier heel mooi het onderscheid dat ik hierboven ook heb geprobeerd aan te geven, namelijk tussen beweringen die wetenschappelijk van aard zijn en beweringen die boven die grenzen van wetenschappelijkheid uitstijgen. De meeste wetenschappers nemen die grenzen zeer goed in acht, zo is mijn ervaring. Echter, wetenschappers (en filosofen, zoals Herman Philipse) die dat niet doen, maken de volgende verschuiving. Een reductionistisch materialist gaat er niet alleen vanuit dat we wetenschappelijke kennis kunnen opdoen, maar dat de enige kennis die enig nut heeft wetenschappelijk van aard is. ‘Kennis’ wordt dan geïdentificeerd met ‘wetenschappelijke kennis’; Stenmark noemt dit epistemic scientism. Hij onderscheidt nog een vorm van sciëntisme, waaraan de reductionistisch materalist zich schuldig maakt. Immers, de reductionistisch materialist maakt niet alleen een claim over wetenschappelijke kennis, maar ook over de aard van de werkelijkheid. Immers, veel reductionistisch materialisten beweren bovendien dat alleen wat de wetenschap kan ontdekken ‘echt’ is, bestaat. Alleen die dingen bestaan, die door de wetenschap ontdekt kunnen worden. Dit noemt Stenmark ontological scientism.

In een prachtig hoofdstuk over de wetenschappelijke verklaring van religie (Stenmark, Scientism, 78-90) laat Stenmark met behulp van voorbeelden zien hoe die verschillende vormen van sciëntisme van invloed zijn op discussies over de evolutionaire wortels van religie. Zo bespreekt hij bijvoorbeeld beweringen van de bioloog E.O. Wilson die beschrijft hoe religieus gedrag functioneert om ‘fitness’ te maximaliseren (d.w.z. zoveel mogelijk nakomelingen voor toekomstige generaties voort te brengen). Daar is op zich niets mis mee en het is zelfs heel plausibel dat religie een dergelijke functie heeft, zegt Stenmark. Het punt bij Wilson is echter “that religion can be explained as nothing but a fitness maximizing strategy” (Stenmark, Scientism, 83). Hier gaat Wilson zijn wetenschappelijke boekje te buiten en maakt hij zich schuldig aan sciëntisme. Elders geeft Stenmark nog meer voorbeelden, bijvoorbeeld van Richard Dawkins, wanneer die schrijft:

I pay religions the compliment of regarding them as scientific theories and … I see God as a competing explanation for facts about the universe and life. This is certainly how God has been seen by most theologians of past centuries and by most ordinary religious people today. … Either admit that God is a scientific hypothesis and let him submit to the same judgment as any other scientific hypothesis. Or admit that his status is no higher than that of fairies and river sprites.

(R. Dawkins, ‘A Reply to Poole’, Science and Christian Belief, 7(1), geciteerd in Stenmark, Scientism, 97.)

Stenmark beschrijft vervolgens hoe Dawkins religie afserveert als inderdaad niets meer dan sprookjesgeloof, omdat de wetenschap heeft laten zien hoe onjuist de quasi-wetenschappelijke uitspraken van religies zijn. Stenmark toont vervolgens mijns inziens overtuigend aan hoe voor Dawkins natuurwetenschap de status van religie heeft overgenomen! (Dit is volgens Stenmark een vorm van axiological scientism.) Ik ben benieuwd hoe Dawkins in zijn nieuwste boek (The God Delusion, London: Bantam Press 2006) over religie schrijft en of hier ook die sciëntistische verschuivingen in merkbaar zullen zijn.

Dat het ook heel anders kan, laat de godsdienstfilosoof Loyal Rue zien in zijn boek Religion Is Not About God: How Spiritual Traditions Nurture our Biological Nature and What To Expect When They Fail (New Brunswick: Rutgers University Press 2005). Rue geeft een naturalistische verklaring van religie, maar doet dat op een wijze die recht blijft doen aan de religieuze beleving zelf.

Rue schrijft:

By a naturalistic theory I mean one that reduces religious experiences and expressions to the status of natural events having natural causes. As such, a naturalistic theory of religion seeks to understand religious phenomena by using categories, concepts, principles, and methods compatible with the ones normally applied to nonreligious domains of human behavior. Briefly stated, the central claims are: First, that it is possible to construct a satisfying general account of religion; and second, that this can be done without invoking supernatural principles of explanation.

(Rue, Religion Is Not About God, 2.)

Maar tegelijkertijd is Rue, die zelf naar atheïsme lijkt te neigen, zo eerlijk om te zeggen dat zijn naturalistische theorie niets zegt over het bestaan van God:

First of all, this book is not meant to be hostile to the idea of God. I will not be arguing either for or against the existence of God. Perhaps there are gods, perhaps not. I will not pretend to know one way or the other. The question of God’s existence simply doesn’t come into the business of understanding religious phenomena. Both the existence of God and the non-existence of God are perfectly consistent with the claim that religion is essentially about fiddling on the strings of human nature.

(Rue, Religion Is Not About God, 2v.)

Er is nog veel meer te zeggen over dit bijzondere interessante boek, maar mijn punt hier is: Het is de bescheidenheid van Rue die bewondering wekt omdat aan verwondering recht wordt gedaan.

Besluit

Nogmaals, ik zeg niet dat verliefdheid, religie, esthetica, etc. niet biologisch van aard zijn. Natuurlijk zijn ze dat. Of liever: dat zijn ze ook, maar niet uitsluitend. Een evolutionistische verklaring van verliefdheid, maar ook van religie kan volledig zijn, maar niet uitputtend.

Religie heeft voor mij, net als alle andere menselijke uitingen van cultuur een biologische basis. De kwestie is alleen: hoe waardeer je die biologische basis? Als je die biologische basis prioriteit geeft, dus hoger waardeert dan wat er uit die basis emergeert, dan zijn emergente eigenschappen zoals religie en andere cultuuruitingen, slechts bijproducten, ‘epifenomenen’. Ik denk echter dat zo’n reductionistische houding niet dwingend is. Nogmaals, een reductionistische houding sluit weliswaar aan bij de biologische data, maar is er niet de logische consequentie van. Een reductionistische houding is het resultaat van een metafysische beslissing.

Ik kan heel best verliefd zijn, zonder dat ik het idee heb dat ik mezelf bedrieg omdat verliefdheid slechts een hormonale kwestie is. Evengoed weet ik dat geloof ook een basis heeft in de menselijke biologie en geworteld is in de evolutionaire geschiedenis van de soort ‘mens’. Maar dat hoeft een gelovige niet minder gelovig te maken. Sterker nog, voor mijzelf draagt het alleen maar bij aan het mysterie van het menselijk bestaan. Want hoe komt een veredelde primaat er in godsnaam toe om te gaan bidden en godsvoorstellingen te ontwikkelen? Dat dit evolutionaire wortels heeft, staat voor mij wel vast. Maar waarom was de uitkomst van dat evolutionaire proces religie en niet iets anders? Daarop kan een bioloog mij geen antwoord geven.

Dr. Taede A. Smedes is godsdienstfilosoof en theoloog, en gespecialiseerd in de interactie tussen godsdienst en natuurwetenschap. Onlangs verscheen zijn boek “God en de Menselijke Maat: Gods H
andelen en het Natuurwetenschappelijke Wereldbeeld” (Zoetermeer: Meinema 2006).

© Taede A. Smedes 2006

, , , , , , , , ,

  1. #1 door Gerdien de Jong op 27 november 2006 - 12:10

    Een aardig boek is ook:
    Darwin’s Cathedral: Evolution, Religion, and the Nature of Society, 2003, door David Sloan Wilson. Zie ook de boekbespreking door Herman Philipse ABG 38 (2003)
    http://www.academischeboekengids.nl/abg/do.php?a=show_visitor_artikel&id=199

%d bloggers op de volgende wijze: