Waar komt Genesis vandaan?

 “Waar komt Genesis vandaan?”

Creationisten en andere fundamentalistische bijbellezers gebruiken het bijbelboek Genesis alsof het een natuurkundeboek is. Dit levert grote problemen op in relatie tot het huidige wetenschappelijke wereldbeeld. Je kunt je echter de vraag stellen of de bijbelschrijvers het boek oorspronkelijk als natuurkundeboek bedoeld hebben. En hoe is het bijbelboek Genesis eigenlijk ontstaan? Hieronder leg ik in het kort een aantal aspecten uit van wat bijbelwetenschappers weten van het ontstaan van Genesis en wat de relevantie hiervan is voor discussies over creationisme.

Door Taede A. Smedes

Inleiding

Er zijn nog altijd veel mensen, met name vanuit evangelicale hoek, die de Bijbel at face value lezen. Die mensen nemen aan dat de tekst van de Bijbel het Woord van God is, dat de tekst derhalve onfeilbaar is en zegt waar het op staat. De Princeton theoloog Charles Hodge beschreef de Bijbel ooit eens als een storehouse of facts: de Bijbel zou volgens Hodge betrouwbare uitspraken doen over de aard en structuur van onze werkelijkheid – uitspraken die door de natuurwetenschappen geverifieerd zouden kunnen en moeten worden. Maar met een dergelijke opvatting van de bijbeltekst ontstaan problemen met het huidige wetenschappelijke wereldbeeld, bijvoorbeeld met de big bang theorie en de evolutietheorie.

In Europa heeft een dergelijke letterlijke en monolythe opvatting van de Bijbel eigenlijk sinds de Verlichting amper nog voeten in de aarde gekregen. Toen tijdens de Verlichting in Duitsland de religiekritiek opkwam, werd ook vrijwel meteen de vraag gesteld naar de historiciteit en betrouwbaarheid van de Bijbel. In de 18de en 19de eeuw kwam vervolgens in Duitsland de historische bijbelkritiek op. Hierin trachtte men (heel kort gezegd) te achterhalen wat eigenlijk de geschiedenis van de bijbeltekst is. Men nam aan dat de tekst niet voor eens en altijd, bij wijze van spreken uit de hemel op aarde is gekwakt, maar een organisch geheel is, een product van mensen waar door de eeuwen heen aan is gewerkt, gepoetst en geslepen. Bovendien werd al gauw duidelijk dat de bijbeltekst niet in isolatie is geschreven, maar tot stand is gekomen in een voortdurende interactie met de sociale en culturele omgeving.

De Pentateuch

Maar hoe zit het nu met Genesis, en met name het scheppingsverhaal? Genesis is het eerste van de zogenaamde ‘vijf boeken van Mozes’, de Pentateuch: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Ooit dacht men dat Mozes de schrijver van deze boeken was, en sommige joden hechten hier nog altijd aan. Toch is dat niet waarschijnlijk, omdat in Deuteronomium over Mozes’ eigen dood geschreven wordt.

Hoewel de vijf boeken een zekere eenheid vertonen qua verhaalstructuur, zijn alle verhalen geworteld in de verteltraditie van de Hebreeërs die teruggaat tot het begin van de beschaving. Met andere woorden: de boeken zijn gecomponeerd op basis van verhalen die lange tijd mondeling werden overgeleverd. In het laatste millennium voor Christus is begonnen met het op schrift stellen van deze verhalen. Het is niet bekend wanneer is begonnen met het bij elkaar brengen van de verschillende Hebreeuwse geschriften, zodat er ook geen datum geplakt kan worden op de Pentateuch als geheel. Bovendien is er geen sprake van een enkel manuscript, maar zijn er slechts fragmenten overgebleven.

De tekst die theologen vandaag de dag bestuderen (meestal als Biblia Hebraica) gaat terug op een aantal bronnen. De belangrijkste bron is de zogenaamde Masoretische tekst. De Masoreten waren een groep rabbijnen die vanaf de 6e eeuw n.Chr. zijn begonnen met een vergelijkin van de verschillende Hebreeuwse manuscripten. Ze begonnen ook overschrijffouten te corrigeren en poogden de interne consistentie van de tekst te herstellen. Het oudste bekende Masoretische manuscript dateert van omstreeks 950 en is van de hand van Aaron ben Asher. Maar er moet worden gezegd dat er veel meer bronnen waren, die tekstvarianten laten zien, die weer relevant zijn voor de uitleg van de tekst. Tekstkritiek heeft zo veel weg van detectivewerk. Vandaag de dag gebruiken theologen nog andere bronnen, zoals de Dode Zeerollen (250 v.Chr.-135 n.Chr.), de Septuagint (3e eeuw v. Chr.) en de Vulgaat (400 n.Chr.).

Genesis

Uit dit alles blijkt al wel dat niet zo gemakkelijk over “de” Hebreeuwse tekst gesproken kan worden. Want “de” Hebreeuwse tekst bestaat niet. Die tekst is zelf reeds een compositie van verschillende teksten. Dat laat zich goed illustreren aan de hand van Genesis.

Volgens bijbelwetenschappers ligt aan de tekst van Genesis een aantal bronnen ten grondslag. Het gaat hier om schrijvers of scholen van schrijvers die mondeling overgeleverde verhalen op schrift stelden. Dat er niet één auteur is, maar meerdere (scholen van) auteurs zijn, werd reeds bij de vroege kerkvaders geopperd, maar werd met name in de 18e en 19e eeuw in zekere zin herontdekt, toen men nauwkeuriger ging kijken naar de inhoud en structuur van de twee scheppingsverhalen van Genesis 1 en 2. Aan de hand van die twee scheppingsverhalen werden in ieder geval twee en misschien 3 bronnen onderscheiden:

Ten eerste is daar de Jahwist, vaak afgekort met “J”, die in de 10e eeuw v. Chr. (waarschijnlijk tussen 950-800 v.Chr.) werkzaam was. Na de dood van Koning Salomo en de scheiding van Israël in de koninkrijken Israël en Judah schreef de Jahwist zijn teksten. De auteur (of school van auteurs) ontleent zijn naam aan het gebruik van JHWH (vaak gespeld als “Jahweh”) in zijn teksten. In het begin van Genesis is een jahwistische tekst te vinden, namelijk Genesis 4b tot en met hoofdstuk 25. Hier is geen sprake van een schepping van hemel en aarde (die worden verondersteld er reeds te zijn).

Vervolgens is er “P”, de Priesterschrift, die tussen 700-500 v.Chr. door Hebreeuwse priesters is geschreven, waarschijnlijk ten tijde van de Assyrische en Babylonische overheersing. In Genesis is P verantwoordelijk voor Genesis 1:1 – 2:4a.

Tenslotte wordt vaak nog “R”, de Redactor, onderscheiden, die in de 5e eeuw (zo rond 450-400 v.Chr.) werkzaam was en in feite Genesis heeft gecomponeerd door J en P (met nog andere bronnen) samen te brengen.

Genesis is dus een ‘knip-en-plakwerk’ van verschillende auteurs, bronnen en verhalen. Er is dus niet één scheppingsverhaal, maar er zijn meerdere die bovendien weer op verschillende bronnen teruggaan.

Verschillen geïllustreerd

Hoe dat verschil in bronnen uitwerkt kan alsvolgt (heel beknopt en met weglating van veel complexe details) geïllustreerd worden.

In de P-gedeelten van Genesis (1:1 – 2:4a) is sprake van een schepping van hemel en aarde aan de hand van een aantal dagen. Dit is het gedeelte waar creationisten veel naar verwijzen:

  • Op de eerste dag, toen de aarde donker, nat en vormloos was, heeft God (Elohiem) het licht geschapen en dag en nacht.
  • Op de tweede dag maakte God het firmament (hemel of lucht) om de wateren boven van de wateren eronder te scheiden.
  • Op de derde dag scheidde God land en water en schiep Hij planten.
  • Op de vierde dag schiep God de zon, maan en sterren.
  • Op de vijfde dag schiep God waterwezens en vogels.
  • Op de zesde dag schiep God de (land)dieren en de mens.
  • Op de zevende dag rustte God.

Het oudere J-gedeelte (2:4b – 25) vertelt een heel ander verhaal, waar een verwijzing naar dagen ontbreekt. Er is sprake van de volgende sequentie van gebeurtenissen:

  • De aarde was woest en zonder plantaardig leven.
  • Toen maakte (boetseerd
    e) de HEER (JHWH) God Adam van het stof van de aarde. (Kleimannetje!)
  • De Tuin van Eden werd gemaakt.
  • De HEER God, die zag dat het niet goed was dat de mens alleen was, maakte de wilde dieren en vogels uit het stof der aarde.
  • Aangezien ook die dieren geen geschikte partner voor Adam waren, vormde de HEER God de vrouw uit één van Adams ribben.

De J-versie veronderstelt dus al het bestaan van de aarde. Ook de opeenvolging van gebeurtenissen is anders. In J wordt de mens eerst gemaakt, dan de planten, dieren, vogels, en ten slotte de vrouw. In P echter worden eerst de zeedieren geschapen en de vogels, dan alle andere wezens en ten slotte de mens (man).

Implicaties

Wat zijn de implicaties van het bovenstaande voor de creationistische lezing van de Bijbel? John Moore schrijft het volgende:

The opinions of biblical scholars are important in evaluating a fundamental tenet of creationists’ belief, namely, the inerrancy of hte Bible. Most likely no one in the last three thousend years has seen the original scrolls that were later combined as Genesis. So far as we know, those original manuscripts have joined the desert sands, and whatever truth they are thought to contain has to be accepted on faith alone; it is not confirmable on the basis of the available historical or scientific evidence. The only texts that creationists and all others have to rely on are the existing translations, whose history is checkereed, to say the least.

(John A. Moore, From Genesis to Genetics: The Case of Evolution and Creationism. Berkeley etc.: The University of California Press 2002, 29f.)

Met andere woorden, creationisten beroepen zich op het verhaal van P als enig bewijs voor schepping tegenover evolutie. Daarbij negeren ze echter J. Moore meent (terecht) dat dit een zaak van willekeur is.

Theologisch

Vraag blijft dan waarom Genesis überhaupt in de Bijbel zit. Waarom is het scheppingsverhaal in de Pentateuch opgenomen? De theologen Claus Westermann en Walther Zimmerli hebben betoogd dat God (JHWH) niet in eerste instantie als een scheppende God werd erkend, maar als een reddende God. Wat er ook gebeurd mag zijn, de beschrijving van het volk Israël uit de slavernij van Egypte is als beslissende gebeurtenis in de geschiedenis van dat volk ervaren. Vandaar ook dat in de Pentateuch die ervaring centraal staat (het is de climax van de vijf boeken). Later zijn daaromheen (als concentrische cirkels) andere verhaallijnen toegevoegd, zodat uiteindelijk het geloof in de reddende God JHWH kosmische dimensies kreeg, en zo tot een universele scheppende en reddende godheid werd. Dat wil niet zeggen dat Genesis slechts een aanhangsel of latere toevoeging is, maar wel dat het theologisch niet helemaal gewaarborgd is om hier zo’n enorme betekenis aan te hechten, zoals de creationisten doen. Bovendien gaat het bij Genesis om een verhaal wat verteld wordt als duiding van ervaringen in de geschiedenis. Het gaat dus niet om een krantenverslag van wat er gebeurd is.

Een andere vraag is deze: Hoort Genesis nu in de Bijbel thuis of niet? Hier kan ik echter alleen een persoonlijk antwoord op geven: de vraag is onzinnig. Ten eerste: dat Genesis als een concentrische cirkel rond de bevrijdingservaring uit Exodus ligt, impliceert niet dat het bijbelboek ook later geschreven is. Dat kan nooit meer worden nagegaan. (Bovendien moeten we ook vaststellen dat alle reconstructies, zoals ook de bovenstaande bespreking van de ontstaansgeschiedenis van het bijbelboek een reconstructie is, een grote mate van onzekerheid in zich hebben.) Maar al zou Genesis een latere toevoeging blijken te zijn, impliceert dit dan dat het boek niet in de Bijbel thuishoort? In dat geval zou je bij de meeste boeken vandaag de dag het voorwoord moeten schrappen, want die zijn vaak pas geschreven nadat het boek al af was. (Of ook deze alinea, die ik toevoegde toen ik de rest van deze blog al lang op internet had geplaatst.)

Ellen ten Wolde schrijft in haar boek Stories of the Beginning dat de historisch-kritische benadering zoals ik die hierboven geschetst heb, vandaag de dag ter discussie staat, omdat het de Pentateuch als verhaal niet serieus neemt. Ten Wolde pleit voor het serieus nemen van de Pentateuch als een geheel, wat ook veel meer in de traditie van het Joodse denken over de Pentateuch is. Hier is veel voor te zeggen, maar het is simpelweg een andere benadering (een ander paradigma, namelijk een narratief paradigma) dat verschilt van de historisch-kritische benadering, met eigen voordelen én beperkingen. Er is niet één benadering die op alle vragen antwoord geeft.

Bronnen

J.A. Moore, From Genesis to Genetics: The Case of Evolution and Creationism. Berkeley etc.: The University of California Press 2002.

W.H. Schmidt, Einführung in das alte Testament. Vierte Aufl. Berlin/New York: Walter de Gruyter 1989.

C. Westermann, Genesis 1-11: A Continental Commentary. Minneapolis: Fortress Press 1994.

C. Westermann, Theologie des alten Testaments in Grundzügen. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht 1985.

E. van Wolde, Stories of the Beginning: Genesis 1-11 and Other Creation Stories. London: SCM Press 1996.

E. Würthwein, Der Text des alten Testaments. Eine Einführung in die Biblia Hebraica. Vierte, erweiterte Aufl. Stuttgart: Württembergische Bibelanstalt 1973.

W. Zimmerli Grundriss der alttestamentlichen Theologie. 3. neu durges. Aufl. Stuttgart etc.: Kohlhammer Verlag 1978.

, , , ,

%d bloggers op de volgende wijze: