John Haught, atheïsme, en skepticisme…

Ik heb John Haught een aantal keren ontmoet. Hij is een katholieke systematisch theoloog en met name bekend van zijn boeken op het gebied van religion & science. Hij heeft een aantal boeken geschreven over de relatie tussen de evolutietheorie en het christelijk geloof, zoals God After Darwin: A Theology of Evolution (2000), Deeper than Darwin: The Prospect for Religion in the Age of Evolution (2003) en Is Nature Enough? Meaning and Truth in the Age of Science (wat bij Cambridge University Press verscheen in 2006). Tijdens het Dover-proces in 2005 was hij een expert witness tegen Intelligent Design. Dat laatste was een strategische zet. Enerzijds werd ID te kijk gezet; anderzijds liet Haught zien dat een theoloog de evolutietheorie voluit kan omarmen zonder noodzakelijk atheïst te hoeven worden.

Ik moet bekennen dat ik niet erg onder de indruk van Haughts approach, maar ik ben wel van mening dat hij zinniger dingen over de relatie tussen geloof en de evolutietheorie zegt dan Cees Dekker c.s. in Nederland weten te doen. Dekker c.s. negeren bijdragen als die van Haught bijna stelselmatig (ze negeren vrijwel alles wat er in de Angelsaksische wereld over religion & science is geschreven en doen daarmee alsof ze het wiel opnieuw uitvinden!).

John Haught Haught heeft een nieuw boek geschreven waarin hij uithaalt naar de nieuwe atheïsten, zoals Dawkins, Harris en Hitchens. Het boek heeft als titel God and the New Atheism: A Critical Response to Dawkins, Harris, and Hitchens en is bij Amazon.com te bestellen.

Het boek is, voor zover ik nu kan zien, nog niet verschenen, maar de aandacht ervoor is er al wel. Zo publiceerde Salon.com een lang interview met Haught. Dit interview is onder een aantal atheïsten nu al het mikpunt van spot geworden, bijvoorbeeld op Evolutionblog, en op Pharyngula. Vooral het commentaar van de bioloog en associate professor P.Z. Myers op Pharyngula liegt er niet om! Hij gebruikt zeer niet-professorabele taal om Haught pikzwart te maken en hij veegt met Haught alle theologen van tafel als een stel zwetsers.

Als ik de stukken interview lees, kan ik me indenken waarom atheïsten zich hiertegen verzetten. Veel van wat Haught zegt, is zweverig, niet voor empirische toetsbaarheid vatbaar of gewoon onzin (wat hij zegt over de camera die tijdens de opstanding niets zou opnemen, is je reinste flauwekul – een heuse category mistake! Haught zal het goed bedoelen, maar zijn argumentatie is onzinnig).

En toch…

Eerder schreef ik al over het strategisch gebruik van scepticisme onder creationisten. Als ik de commentaren op Evolutionblog en Pharyngula over Haugth lees, krijg ik echter het sterke vermoeden dat ook atheïsten een zeer selectief gebruik maken van scepticisme: ook zij zijn sceptisch over de positie van anderen (i.c. gelovigen en theologen), maar zelf hebben ze de smalle weg naar de ultieme waarheid gevonden.

De atheïsten leggen Haught het vuur aan de schenen. Misschien is dat deels terecht. Maar niet helemaal. Zo klaagt P.Z. Myers:

I could see it if they were actually addressing the arguments in The God Delusion, but they never seem to do more than squeal the same old arguments in favor of their tired dogmas.

Myers geeft ruiterlijk toe dat hij van theologie geen verstand heeft ("Speaking for myself as one of those New Atheists (you do know there are more than four, right?), I have to admit he’s right. I don’t know what’s going on in the world of theology. And I don’t give a damn"). Zijn notie dat theologen altijd maar hetzelfde riedeltje fluiten, is dan ook onzinnig.

Maar bovendien veronderstelt Myers dat Dawkins ook echt argumenten in zijn boek op tafel legt. Ik denk dat je hierover kunt twisten. Veel van de uitlatingen die Dawkins in zijn boek doet zijn, hoe grappig ook, onvruchtbare ejaculaties en geen argumenten. Er valt hier voor theologen niets aan te pakken. Haught verwijst tenminste nog naar Sartre en Nietzsche, als atheïsten die tenminste goede argumenten hadden; Dawkins roept echter maar wat, evenals Harris in veel gevallen.

Thomas Nagel – ook een atheïst – was tenminste nog eerlijk om toe te geven dat Dawkins het atheïsme meer kwaad dan goed deed. De uitlatingen van bovengenoemde blogs op Haught doen hetzelfde. Ze zijn weinig kritisch over de eigen atheïstische positie, maar des te meer naar andersdenkenden. Zo zetten ze aan tot een verdere polarisatie van het debat, die volstrekt onvruchtbaar is.

  1. #1 door Gijsbert van den Brink op 3 januari 2008 - 23:28

    Hoi Taede, wat is dat nou weer, dat we als redacteuren van Omhoog kijken in platland “bijna alles [zouden] negeren wat er in de Angelsaksische wereld over religion & science is geschreven”? Mijn eigen opstel is vrijwel geheel aan het Angelsakische debat gewijd! Dat kan je toch moeilijk ontgaan zijn? Hart. groeten,
    Gijsbert

  2. #2 door Gerdien de Jong op 4 januari 2008 - 18:02

    Veel interessants voor een discussie tussen geloof en wetenschap kan ik niet in Platland vinden. De drie boeken Schitterend Ongeluk, Worm en Platland hebben eerder voor een aantal jaren de weg naar een zinnige discussie afgesloten. Voor die boeken en zeker voor de spreekbeurtencampagne van Dekker vroeg niemand op de universiteit naar iemands geloofsovertuiging: het was volkomen tolerant. Nu staan “christenen” als lichtelijk geschift te boek, nu is er allergie.
    Het interview met John Haught is interessant genoeg. Haught zal zeker duidelijker moeten zijn over ‘purpose’; hij lijkt meer dan onderbouwd kan worden bij Teilhard de Chardin aan te sluiten. Ook noemt hij de voorzienigheid Gods niet (al zal dat in het boek wel gebeuren, als hij iets over ‘purpose’ zegt). Philip Kitcher heeft in Living with Darwin juist de voorzienigheid als direct conflictgebied aangemerkt.
    Van den Brink heeft in het derde hoofdstuk van Platland een aantal diagrammen over geloof en wetenschap die verhelderend werken. Er is een geval dat hij ‘consonantie’ noemt, en waar hij wel wat in ziet: het ‘raken’ geval (zonder het boek erbij te hebben). Ongelukkig genoeg baseert Van den Brink zijn optimisme hier op ID – en ID is geen wetenschap. Elke theoloog kan dat intussen weten.

  3. #3 door gert korthof op 6 januari 2008 - 06:25

    Ik heb beide boeken van John Haught (2000,2003) in huis, heb ze grotendeels gelezen, en ingedeeld in de categorie ‘Theistic Evolution’ op mijn Introduction pagina. Hij lijkt mij een sympathiek persoon, geen ruziezoeker zoals P.Z. Myers. Belangrijk als voorbeeld van een theoloog en gelovige die evolutie accepteert. Om te laten zien dat ID niet de enige houding t.o.v. evolutie is. Het nadeel van John Haught vond ik dat hij nogal vaag is.

  4. #4 door Tjerk Muller op 14 januari 2008 - 05:36

    “Vooral het commentaar van de bioloog en associate professor P.Z. Myers op Pharyngula liegt er niet om! Hij gebruikt zeer niet-professorabele taal om Haught pikzwart te maken en hij veegt met Haught alle theologen van tafel als een stel zwetsers.”
    Allereerst: volgens mij is Pharyngula zijn persoonlijke blog, en gebruikt hij op zijn persoonlijke blog geen andere taal dan jij op jouw persoonlijke blog over bijv. Hobrink. Ik heb in die laatste post van je nog geen enkel argument kunnen ontwaren waarom wat Hobrink zegt inhoudelijk onjuist is: wel een scheldkannonade. Als jij dat mag, mag Myers het ook.
    Tenzij je Myers kunt uitleggen wat er wetenschappelijk is aan een wetenschap waarvan het bestaan van het object dat die wetenschap bestudeerd, nl. “God” niet eens is vastgesteld.
    Zul je – ik ben ook opgevoed in de Brummeriaanse school – tegenwerpen dat theologie niet zozeer handelt over God, alswel het menselijk denken over God. Dat is historisch onjuist, aangezien het van oorsprong wel degelijk ging over een als werkelijk bestaand veronderstelde realiteit (en aangezien theologen stiekem natuurlijk nog altijd denken dat God werkelijk bestaat).
    Voor Myers zal dat geen verschil maken: waarom zou je het bestuderen en doordenken van een zuiver speculatief idee, dat geen enkele aantoonbare relatie heeft met de materiele werkelijkheid – als wetenschappelijk beschouwen? Wat is daar het werkelijkheidsgehalte van?
    Met begrippen als waarheid en rechtvaardigheid kun je nog zeggen dat ze behulpzame abstracties zijn van menselijke functies, van het sociale verkeer. Het gaat dan om de vraag: hoe kom je achter de waarheid, en wat bedoel je daarmee. Wanneer kunnen we het ergens over eens worden, en waarom dan. Rechtvaardigheid idem dito: het gaat dan om rechtvaardig handelen. Waarheid en rechtvaardigheid hoeven niet te ‘bestaan’ om toch te functioneren als hulpconcepten.
    Maar God? Als je God gaat abstraheren houdt je menselijke wensen over. Wensen die niet praktisch uitvoerbaar zijn, en juist daarom een projectie vormen op het scherm van de eeuwigheid.
    Berusten die wensen op iets daarbuiten? Niet erg waarschijnlijk. Want als het in de wereld zo zou zijn als onze wensen, hadden we dat ‘daarbuiten’ niet meer nodig, wel?
    Bovendien zijn de ideeen over God vergelijkbaar aan de ideeen over wat goede cuisine is: lokaal en cultureel bepaald. Niemand speculeert nog systematisch over de godsconcepten van de Maya’s, of de oude Grieken.
    Hoezo niet? We kunnen mathematisch en empirisch bewijzen dat de aarde om de zon draait en niet andersom. We kunnen aantonen dat ons idee van rechtvaardigheid en menselijke waardigheid meer mensen gelukkig maakt dan de slavenmaatschappijen van vroeger (het is maar net wat je belangrijk vindt natuurlijk; maar menselijk geluk is meetbaar, zelfs empirisch, onder de hersenscan).
    Maar kun jij bewijzen dat Jahwe, of de Drie-eenheid wel bestaat en Zeus, Thor en Quetzalcoatl niet?
    En als je dat niet kunt: hoe kunnen theologen dan pretenderen zoiets als wetenschap te bedrijven? – vraagt Myers.
    Lijkt me een legitieme vraag.
    “Haught verwijst tenminste nog naar Sartre en Nietzsche, als atheïsten die tenminste goede argumenten hadden; Dawkins roept echter maar wat, evenals Harris in veel gevallen.”
    Neen. Haught schrijft dat hun denken zoveel dieper was. En dat is een tactische zet, omdat Haught hen dan kan aanvoeren als getuigen dat atheisme tot nihilisme leidt. Volgens Haught zien de Nieuwe Atheisten dat niet onder ogen, omdat ze zulke oppervlakkige denkers zijn.
    Het komt Haught natuurlijk ook heel goed uit om te stellen dat echte diepe denkers onder de atheisten tot de conclusie kwamen dat men zonder God een nihilistisch wereldbeeld overhoudt, een wereld zonder rechtvaardiging voor hoop; want dan kan hij het christelijk theisme als aantrekkelijk, ja existentieel en filosofisch noodzakelijk alternatief presenteren.
    Dat lijkt me een drogreden van het zuiverste water: want waarom zou het niet waar kunnen zijn dat er inderdaad geen objectieve “hoop” is, daarbuiten. Waarom zou het niet kunnen zijn dat we ons per toeval op een minieme oase in een kaal heelal bevinden?
    Wat Haught zegt is dat er een metafysische Fopspeen in de lucht moet hangen omdat wij daar zo’n behoefte aan hebben. Want wij mensen – en we zijn de enige diersoort die daar last van heeft – raken in de stress als we onze zuigbehoefte niet kunnen bevredigen.
    Dus verdedigt Haught de filosofische rechtvaardiging van de Fopspeen, terwijl de remedie natuurlijk is volwassen te worden, de benen te strekken, de kou te trotseren en zelf doelen voor en redenen tot hoop te vinden. Zelf waarde aan je leven te geven.
    En als je dat een tijdje doet, kom je erachter dat je geen imaginaire Vader in de lucht nodig hebt om te zeggen dat je leven waarde heeft en dat je bemind bent, geen objectieve instantie die de doorslag geeft of het leven zin heeft of niet, geen metafysische Hoop.
    Dan is het genoeg dat er mensen om je heen zijn die je liefhebben (en dat je jezelf accepteert zoals je bent); dan is het voldoende dat je zelf zin schept in je leven (en dat anderen blij zijn met wat je doet); en dan is het voldoende dat je zelf de rechtvaardiging tot hoop ziet.
    Dan zijn de nachtelijke sterrenhemel, de uitgestrekte woestijn, de verhalen bij het vuur, de geborgenheid van je naasten genoeg om voor te leven en ermee gelukkig te zijn. Het leven zelf wordt intrinsiek waardevol, omdat jij er waarde aan hecht. Meer is niet nodig.
    En dan wordt de vraag: wat is de meerwaarde van het oordeel van een hypothetische Instantie (“God”) over de waarde van het leven boven mijn/ons eigen oordeel? Als ik, als wij het waardevol vind(en); dan is het dat toch gewoon?
    Dus ook existentieel je n’ai besoin de cette hypothese

  5. #5 door Simon op 14 januari 2008 - 10:09

    Tjerk Muller, je vraagt “als wij het leven waardevol vinden, dan is het dat toch gewoon?”
    Nou, nee. Dat is een subjectieve beoordeling en alleen geldig voor je eigen bestaan. Als ik mijn leven of dat van een ander niet waardevol vind, is het dat dan ook niet? Ik mag hopen van wel! Waarom mag ik dat hopen? Omdat het mogelijk is dat er los van onze subjectieve beoordeling ook een intrinsieke waarde aan het leven kan worden toegekend. Dat kan alleen in een metafysisch kader dat uitgaat van het bestaan van een werkelijkheid achter de grenzen van onze waarneming. Dit kader is volkomen gerechtvaardigd gezien de huidige stand van onze kennis. Religie heeft veel misbruik gemaakt van deze metafysica (en doet dat nog steeds), maar daarmee is de metafysica niet onwaar of onzinnig. Het is wel een goede reden om religie te hervormen. Ziedaar de hoofdtaak van de theologen!
    Ik krijg de indruk dat je het leven veel te rooskleurig ziet. Zolang er liefhebbende mensen om je heen zijn en je de ruimte hebt om geluk te vinden in je leven, kun je makkelijk stellen dat het leven waarde voor je heeft. Ik kom echter regelmatig ik aanraking met mensen aan de rand van het sociale bestaan (of daaronder) en mensen die lijden onder ziekten en depressies. Ik vrees dat de boodschap van de nachtelijke sterrenhemel, de uitgestrekte woestijn, de verhalen bij het vuur en de geborgenheid van je naasten dan niet overkomt. Deze mensen missen juist de menselijke omgang en de mogelijkheden om geluk te vinden. Als wij ons niet om deze mensen bekommeren maar ze laten wegzakken in hun subjectieve waardering van het leven dat vaak niet snel genoeg voorbij kan zijn, dan heeft dat impact op ons eigen bestaan. We kunnen niet als losse individuen zoeken naar zingeving alsof mijn persoonlijke zingeving de zinloosheid van het bestaan van anderen kan compenseren. Mensen die dit niet beseffen zijn vervreemd van hun bestaansgrond.
    Volgens de theoloog Tillich gaat het in theologische modellen om de correlatie tussen de algemene (of: universele) zinvraag van de mens en het antwoord daarop. Het atheïstische antwoord voldoet niet in mijn ogen. Wel pleit ik met Tillich voor inclusiviteit: zingeving is niet beperkt tot een bepaalde religie of nog smaller: een denominatie. Seculiere zingeving heeft daarmee hetzelfde bestaansrecht als religieuze zingeving, maar ze zijn niet gelijkwaardig. Uiteindelijk bepaalt de Werkelijkheid welke antwoorden het beste correleren met de vraag naar de zin van ons bestaan.

  6. #6 door Tjerk Muller op 16 januari 2008 - 22:17

    Beste Simon,
    Ik gebruik in mijn reactie de persoonlijke voornaamwoorden “ik” en “wij” door elkaar, precies omdat het meer is dan een beoordeling vanuit hoogst individuele subjectiviteit. Onze waardeverlening geschiedt intersubjectief.
    “Omdat het mogelijk is dat er los van onze subjectieve beoordeling ook een intrinsieke waarde aan het leven kan worden toegekend. Dat kan alleen in een metafysisch kader dat uitgaat van het bestaan van een werkelijkheid achter de grenzen van onze waarneming.”
    Ehm… nou nee. Want zelfs als je die metafysische werkelijkheid achter de grenzen van onze waarneming aan kunt tonen, wat me onmogelijk lijkt (het ligt immers “achter de grenzen van onze waarneming”), dan nog zijn wij het die (inter)subjectief een waarde toekennen aan die metafysische realiteit. Jij maakt nu van een verondersteld ‘is’ een ‘ought’. Als men dat met objecten in de natuur doet, noemen we dat de naturalistische drogreden. Ik zou jouw redenering de supernaturalistische drogreden willen noemen.
    “Dit [metafysisch] kader is volkomen gerechtvaardigd gezien de huidige stand van onze kennis.”
    Zo-zo. Je neemt nogal een forse stelling voor je rekening. Die stelling mag je eens uitgebreid gaan hard maken. Ik stel het volgende voor: je werkt dit uit in een blog-post. Je stuurt dit op aan Taede Smedes. Als die je uitwerking goed genoeg vindt, wil hij ‘m vast wel op z’n blog plaatsen. En als niet … nou ja, je begrijpt wel waar ik heen wil.
    “Ik kom echter regelmatig ik aanraking met mensen aan de rand van het sociale bestaan (of daaronder) en mensen die lijden onder ziekten en depressies.
    Je gebruikt nu het bestaan van sociale misfits en psychisch ongezonde exemplaren van de mensheid om de filosofische en existentiële noodzakelijkheid van God aan te tonen.
    Nog afgezien daarvan dat juist het bestaan van alle organismen die het in de struggle for survival niet redden me juist een sterk argument lijkt tégen het bestaan van een Algoede God; – je argumentatie lijkt me van het kaliber dat we allemaal aan de prozac moeten omdat een aantal van ons zonder dat het leven niet aan kan.
    Niet dat het helpt: of er nu een God is of niet maakt voor de waardering die de mensen die jij beschrijft aan het leven geven niet bijster veel uit. Natuurlijk raakt er wel eens eentje helemaal ‘in de Heer’; maar de problemen blijven, soms worden ze zelfs aanzienlijk verergerd.
    Jouw meeleven met deze mensen is niet een uitvloeisel van een metafysische waarde die zij zouden hebben, maar aan de waarde die wij als collectief op een intersubjectieve wijze aan elk individueel mensenleven toekennen. Vervolgens projecteer jij die hoogschatting die wij als groep consensueel verlenen aan het leven – op de Eeuwigheid. Je tracteert jezelf daarmee op een sigaar uit onze eigen doos.
    Zeg me eens: waarom zou onze collectieve waardering voor het leven van de individuele persoon minder gewicht in de schaal leggen dan de mening van één God?
    Een God met dubieuze referenties bovendien: het blijkt uit de kosmos en de natuur nu niet echt dat God ook maar iets om levende organismen geeft; veeleer dat Hij compleet onverschillig t.o.v. hun leven en hun lijden staat. De meeste dieren komen namelijk op een vervelende manier aan hun eind; en worden tijdens hun leven geplaagd door parasieten die daartoe prachtig ontworpen zijn. De natuur is een slachthuis. Dus van wie of wat voor het ontwerp en de uitvoering verantwoordelijk is, kan moeilijk gezegd worden dat Hij zoveel om het leven geeft.
    Er zo even op doordenkend, lijkt het me dus dat niet ik, maar veeleer jij degene bent die het leven veel rooskleuriger inkleurt dan gerechtvaardigd is.

  7. #7 door Simon op 17 januari 2008 - 09:14

    Tjerk Muller, bedankt voor je reactie.
    Je schrijft: “Ik zou jouw redenering de supernaturalistische drogreden willen noemen.” Niet helemaal denk ik. De vraag is of ons leven op deze aarde ten diepste toevallig is, of bedoeld op een ‘supernaturalistisch niveau’. Dat eerste is mogelijk, het tweede is hoop.
    “Dit [metafysisch] kader is volkomen gerechtvaardigd gezien de huidige stand van onze kennis. – Die stelling mag je eens uitgebreid gaan hard maken.” Een sterke argumentatie vanuit de evolutietheorie hiervoor heeft Jan Riemersma (die op dit blog regelmatig bijdraagt) gegeven op het evolutieblog van Gert Korthof (zie links in kantlijn). Andere filosofische argumenten worden geformuleerd door mensen als Alvin Plantinga. Ik ben niet in staat al hun kundigheid in een blogpost te reproduceren, maar wil best wel eens een poging wagen! (Kom ik dus op terug indien gewenst).
    “Je gebruikt nu het bestaan van sociale misfits en psychisch ongezonde exemplaren van de mensheid om de filosofische en existentiële noodzakelijkheid van God aan te tonen.” Hoe kom je daar nu weer bij? Ik gebruik het bestaan van een ongelukkig deel van de mensheid om aan te tonen dat als geluk ons leven waarde geeft, het leven blijkbaar ook waardeloos kan zijn. En als het leven waardeloos kan zijn, dan is het niet intrinsiek waardevol en dus is ook het leven van gelukkige mensen niet intrinsiek waardevol, maar wordt het subjectief beoordeeld als waardevol door de gelukkige mensen. Je opmerking over prozac, daar ga ik maar niet op in.
    “Jouw meeleven met deze mensen is niet een uitvloeisel van een metafysische waarde die zij zouden hebben, maar aan de waarde die wij als collectief op een intersubjectieve wijze aan elk individueel mensenleven toekennen.” De geschiedenis leert nou juist dat wij erg veel moeite hebben om aan elk individueel mensenleven waarde toe te kennen. Er zijn wel mooie werkstukken (zoals de 10 geboden, of de universele verklaring van de rechten van de mens) die dat voorstaan, maar in de praktijk is er een ander beeld. Het gaat om de praktijk.
    Je vraagt: “waarom zou onze collectieve waardering voor het leven van de individuele persoon minder gewicht in de schaal leggen dan de mening van één God?” Onze collectieve waardering voor de individu zou, mits gepraktiseerd, voldoende gewicht in de schaal leggen om de mening van God totaal irrelevant te maken.
    “De natuur is een slachthuis. Dus van wie of wat voor het ontwerp en de uitvoering verantwoordelijk is, kan moeilijk gezegd worden dat Hij zoveel om het leven geeft.” Dus het leven is toch waardeloos?
    “Er zo even op doordenkend, lijkt het me dus dat niet ik, maar veeleer jij degene bent die het leven veel rooskleuriger inkleurt dan gerechtvaardigd is.” Dat zie ik als een compliment in dit geval.

%d bloggers liken dit: