Oxford: God, nature and design (2)

De tweede dag zette de stijgende lijn van de conferentie stevig voort. Na een uitgebreid Engels ontbijt, begon de tweede conferentiedag met een referaat van Richard Swinburne. Zoals we niet anders van hem gewend zijn, had hij een verhaal wat tegen de haren van veel bezoekers indruiste. Hij betoogde namelijk dat de wetenschap niet in staat zou zijn om de evolutie van de mens te verklaren. Waarom niet? Hoewel zijn betoog een stijf metafysisch verhaal was, dat bol hing van definities en argumentaties binnen argumentaties (en dus vrij droog en saai was), was de strekking van zijn betoog betrekkelijk eenvoudig.

Mensen hebben een mental life, namelijk menselijke ervaring, herinneringen, etc., al die ‘innerlijke’ zaken waar alleen de individuele mens toegang tot heeft. Swinburne meent dat de mens gedefinieerd wordt door zijn mental life en dat betekent dat wanneer dat mental life zou verdwijnen, dat dan de mens zou ophouden te bestaan. Dat mental life is niet voor wetenschap toegankelijk – althans niet op de wijze waarop ze voor de individuele mens toegankelijk is. Natuurlijk kan de wetenschap de functies van het brein-in-werking meten en observeren, maar dat is niet het mental life (verschil tussen 3de en 1ste persoonsbeschrijvingsniveau).

Het menselijke mental life is ook niet te reduceren tot hersenfuncties. Swinburne liet zien hoe het epifenomenalisme strandt, evenals ieder beroep op de experimenten van Libet. Welnu, als dat mental life niet door de wetenschap te verklaren is, dan is daarmee per definitie (dat is belangrijk, want het komt dus aan op de definitie van het wezen van de mens) niet te verklaren. Aangezien de wetenschap geen idee heeft van het mental life van de voorouders van de mens, kan de wetenschap daarmee principieel nooit de evolutie van de mens afdoende wetenschappelijk verklaren. Dat is ongeveer Swinburnes betoog in een notendop. (Vraag me a.u.b. niet naar details, want het verhaal was zo droog en complex, dat mijn eigen mental life het na ongeveer tweederde van zijn betoog liet afweten en naar elders vertrok.)

De tweede spreker van de dag was de echte domper en teleurstelling die een serieuze smet op dit congres werpt: Holmes Rolston III. Hij werd voorgesteld als een big shot, die bovendien nog eens de Templeton Prize had gewonnen, etc. Zijn verhaal was echter zo simplistisch dat ik me ervoor schaamde. De titel was Three Big Bangs: Matter-Energy, Life, Mind en wat hij deed, was simpelweg de schoolboekinformatie over de Big Bang, de evolutie van leven, en wat neurowetenschap met behulp van een powerpoint-presentatie oplepelen. Dit was een uitstekend voorbeeld van de wijze waarop het discussieveld van religion and science zichzelf naar de vernieling helpt: door oude, uitgebluste mannetjes als Rolston op grote conferenties prut-verhalen te laten houden. Ik wil er verder geen woorden aan vuil maken. Na twintig minuten ben ik weggeslopen om de binnenstad van Oxford (lees: de vele boekwinkels) wat nader te gaan inspecteren.

Na de lunch was de eerste van de twee short papers sessies aan de beurt. De papers waren 20 minuten (max.) lang met nog 10 minuten voor discussie. Ik kan helaas alleen wat zeggen over de papers die ikzelf bijgewoond heb. Mijn Gentse collega Stephaan Blancke – een promovendus die werkzaam is bij Johan Braeckman – hield een heldere inleiding in de problematiek van Intelligent Design. Zijn kritiek was – niet geheel nieuw – dat ID pure godsdienst is. Het enige punt waarop hij – terecht denk ik – werd gewezen, was dat hij creationisme en ID te snel over één kam scheert. Ik heb hem nadien ook gezegd, dat ook ik ervan overtuigd ben dat ID en creationisme zeer nauw aan elkaar verwant zijn, dat je echter toch ook verschillen kunt aanwijzen in methode en opvatting, en dat het daarom vanuit retorisch standpunt wijzer is om een onderscheid aan te brengen, waarbij je op de overeenkomsten en verschillen wijst. Immers, iemand een ‘creationist’ noemen, kan ook een retorische truc zijn om diegene al bij voorbaat buiten ieder debat te plaatsen.

Eisen & Westmoreland, twee Amerikanen, hielden een betoog voor de invoering van een discussie-niveau in het Amerikaanse wetenschappelijk onderwijs, omdat veel Amerikaanse studenten worstelen met levensbeschouwelijke vragen, die echter in de wetenschap niet aan de orde mogen komen. Daardoor zie je de belangstelling voor wetenschap onder jongeren wegsijpelen. Goed punt, goed referaat.

Tim Mawson, een Oxfordse godsdienstfilosoof (en evenbeeld van Stephen Fry) hield een paper waarin hij een nieuw design-argument opbouwt, op basis van de fine-tuning van de kosmos. Aangezien hij een paper van 15 pagina’s had geschreven, en in 20 minuutjes alleen in een sneltreinvaart de hoofdlijnen van zijn hoogst metafysisch betoog kon weergeven, is veel over mijn hoofd gegaan. Ik heb echter zijn paper gekregen en zal het nog eens nalezen. Filosofisch zal het argument ongetwijfeld goed onderbouwd zijn, ik geloof er echter geen bal van dat het argument ook echt relevant is voor geloof.

Ignacio Silva hield een degelijk en goed te volgen referaat over de problemen met modellen van Gods handelen – en ja, hij citeerde ook ondergetekende. Silva meende namelijk dat alle modellen van Gods handelen op basis van wetenschap (hij focuste op quantummechanica) een herdefiniëring van het klassieke godsbeeld inhouden, met name wat betreft Gods almacht, alomtegenwoordigheid, en Voorzienigheid. En dat, terwijl je met Thomas van Aquino prima de problematiek van Gods handelen kunt aanpakken, zonder dat je daarbij God hoeft te herdefiniëren. Mooi punt – volgend jaar is zijn proefschrift klaar, en ik hoop het ooit te kunnen lezen om zijn punt verder uitgewerkt te zien.

De broers Jason & Jon Marsh hielden een referaat met een sterk ADHD-gehalte over de vraag of de evolutietheorie voor het christelijk geloof een probleem vormde, met name wat betreft het lijden. Zij betoogden stuiterend van de adrenaline dat dit inderdaad het geval was. Ik kon echter de pointe van hun argument niet vinden, en bovendien was het argument te schetsmatig om er enige samenhang in te kunnen vinden. Niet zo goed dus.

De laatste waar ik een bezoek aan bracht, was de Amerikaanse ID-coryfee Paul Nelson. In een retorisch briljant verhaal, zette hij met veel voorbeelden uiteen dat evolutiebiologen weliswaar de ID-beweging beticht van theologische motieven, maar dat als je naar vakartikelen zelf kijkt, evolutiebiologen zich er evenzeer aan bezondigen. Hij verwees naar artikelen van Dobzhansky, Gould, en Ulrich Kutschera, die een theologisch punt maken, in vakwetenschappelijke artikelen die in gerenommeerde tijdschriften zijn verschenen. Ik moet zeggen dat ik Nelsons punt niet helemaal begreep. Wat is het nut van een dergelijke opsomming van voorbeelden? Om een kinderachtig spelletje te spelen van: Jullie zeggen dat wij iets doen, maar jullie doen het zelf lekker ook? Door de sterke retoriek en Nelsons flair van presenteren was het een superpresentatie, maar daardoor dus ook erg gevaarlijk. Immers, ID komt er als een heel redelijke positie uit te voorschijn en evolutiebiologen worden als ideologen weggezet.

Nelsons zeepbel werd wel doorprikt (of vertoonde tenminste tekenen van lekkage), toen een van de Amerikaanse bezoekers Nelson vroeg hoe zijn jonge-aarde-creationisme zich tot dit onderzoek verhield. Tot mijn eigen verrassing bleek Nelson een echte jonge-aarde-creationist (hij gelooft dat de aarde ongeveer 10.000 jaar oud is) te zijn! Ik heb in 2005 tijdens het congres over Images of Scince in Amsterdam gedineerd met Nelson, en moet zeggen dat ik hem toen heel redelijk vond. Maar de beste man is dus gewoon schizofreen. ID-aanhangers zouden fantastisch materiaal zijn voor psychologen om te bestuderen hoe zij cognitieve dissonantie reduceren. Anyway, Nelson verweerde zich door te zeggen dat zijn jonge-aarde-creationisme zuiver theologische motieven heeft, en geen rol speelt in zijn wetenschappelijke werk. De Amerikaanse vragensteller repliceerde daarop dat natuurlijk dat jonge-aarde-creationisme wel degelijk wetenschappelijke implicaties had. Nelson gaf dat schoorvoetend toe, wilde nog wat zeggen – en juist op dat moment beëindigde de chairperson de sessie. Jammer, net toen het echt spannend begon te worden.

Het klapstuk van de dag was vuurwerk van niemand minder dan de filosoof Michael Ruse. Met veel humor en seksistische opmerkingen, hield hij een niettemin sterk academisch verhaal over de vraag waarom William Paley niets van Hume geleerd lijkt te hebben. Immers, Paley schreef na Hume, en veel filosofen uit Paleys tijd waren het erover eens dat Hume het design-argument de definitieve nekslag had gegeven. (Ruse benadrukte wel dat Hume het Platoonse design-argument om zeep had geholpen, maar dat het Aristotelische argument, dat zich op finale oorzaken beroept, nog wel degelijk te verdedigen was – zie Kants Kritik der Urteilskraft.) Ruse liet zien dat je voor de beoordeling van Paleys argument moet kijken naar de contextuele en historische setting van Paleys tijd, met name naar de geschiedenis en moeilijke positie van het Protestantisme in Engeland.

De discussie met Ruse naderhand was vermakelijk en serieus. Ergens in het gesprek begon Ruse over Richard Dawkins en zijn The God Delusion, dat Ruse “not an intellectual book” vond: “It’s a cultural book, surely not a great work of philosophy.” Ruses diagnose was dat het huidige debat over ID en het nieuwe atheïsme een cultureel debat is. Er is wel een zekere intellectuele dimensie aan het debat, maar het is toch vooral een cultureel fenomeen, waarbij Ruse tot verbazing van velen verklaarde dat hij van mening was: “new atheists are as perniciously dangerous as the ID-people are”. Met die dolksteek haalt hij zijn collega-atheïst (Ruse poneerde zichzelf expliciet als atheïst) met één haal onderuit.

Ja, gisteren heb ik toch vaak tegen mezelf gefluisterd dat het wel een enorm groot voorrecht is dat ik dergelijke intrigerende en intellectueel enerverende congressen mag bezoeken.

En dan vandaag de laatste dag van het congres, waarop ook ik met mijn intellectuele billen bloot moet…

  1. #1 door Gerdien de Jong op 12 juli 2008 - 13:25

    Kun je de voorbeelden van Nelson (Dobzhansky, Gould Kutschera) vinden, en nagaan of ze juist zijn aangehaald? Quote mining is een bekend fenomeen.
    Swinburne: “Het menselijke mental life is ook niet te reduceren tot hersenfuncties.” Dat lijkt om een reactie van een neurobioloog te vragen. De omschrijving van Swinburnes betoog doet me denken aan iets als onmogelijk definieren om het daarna op grond van de definitie als onmogelijk te bewijzen.

  2. #2 door Rutger op 13 juli 2008 - 12:02

    Interessant om te lezen. Succes vandaag!

  3. #3 door Taede A. Smedes op 13 juli 2008 - 21:05

    Hallo Gerdien,
    Nelson verwees naar Goulds artikel “The Panda’s Thumb” en naar Dobzhansky’s beroemde “Nothing in biology makes sense except in the light of evolution”-artikel. Kutschera’s artikel, daarvan weet ik de referentie niet meer, maar het is een artikel over planten wat begin dit jaar in een groot tijdschrift gepubliceerd is, en waarin aan het eind wordt betoogd dat het artikel aantoont dat ID onjuist is. Veel gedetailleerder dan dit kan ik het helaas niet maken.
    Verder over Swinburne: ja, ik geloof zijn verhaal voor geen meter. Wat hij doet, als filosoof, is a priori argumenten geven waarom wetenschap de evolutie van de mens niet kan verklaren. Een filosoof mag zoiets wat mij betreft zeggen, maar ik houd toch liever open wat wetenschap wel en niet kan zeggen in plaats van a priori grenzen aan te geven…
    Overigens kwam ik erachter dat enkele van de argumenten van Swinburne ook in zijn boek “The Evolution of the Soul” (Oxford UP) voorkomen. Ik heb dat ondertussen besteld.

  4. #4 door Gerdien de Jong op 14 juli 2008 - 13:41

    Hallo Taede,
    Als Nelson in zijn betoog (en niet later als je het hem vroeg) aangaf over welke artikelen van Dobzhansky, Gould, en Ulrich Kutschera het ging, had iemand hem erop kunnen wijzen dat zijn voorbeelden in het geheel niet ondersteunen wat hij lijkt te beweren.
    (Paul Nelson) verwees naar artikelen van Dobzhansky, Gould, en Ulrich Kutschera, die een theologisch punt maken, in vakwetenschappelijke artikelen die in gerenommeerde tijdschriften zijn verschenen.
    Nelson verwees naar Goulds artikel “The Panda’s Thumb” en naar Dobzhansky’s beroemde “Nothing in biology makes sense except in the light of evolution”-artikel. Kutschera’s artikel, daarvan weet ik de referentie niet meer, maar het is een artikel over planten wat begin dit jaar in een groot tijdschrift gepubliceerd is, en waarin aan het eind wordt betoogd dat het artikel aantoont dat ID onjuist is.
    Hier volgen de drie voorbeelden van Nelson.
    1
    Gould in het artikel “ The Panda’s Thumb”, op een na laatste zin, oorspronkelijk gepubliceerd als column in het tijdschrift-voor-geinteresseerden Natural History, hier aangehaald uit de verzamelpocket “ The Panda’s Thumb (1980):
    Nature is, in biologist Francois Jacob’s words, an excellent tinkerer, not a divine artificer.
    Het punt is dat de ‘duim’ van de panda een gemodificeerd middenhandsbeentje is.
    2
    Dobzhansky
    The American Biology Teacher 35 (March 1973) 125-129
    Does the evolutionary doctrine clash with religious faith? It does not. It is a blunder to mistake the Holy Scriptures for elementary textbooks of astronomy, geology, biology, and anthropology. Only if symbols are construed to mean what they are not intended to mean can there arise imaginary, insoluble conflicts. As pointed out above, the blunder leads to blasphemy: the Creator is accused of systematic deceitfulness.
    Dobzhansky’s betoog maakt een theologisch punt, van groot nut voor leraren: het betoog is bedoeld om te betogen dat er geen strijd hoeft te zijn tussen geloof en evolutie.
    3
    Kutschera U , 2008 (april)
    The growing outer epidermal wall: Design and physiological role of a composite structure
    ANNALS OF BOTANY 101 (5): 615-621
    laatste alinea:
    Which processes are responsible for the highly ordered architecture (i.e. the three-dimensional design) of the OEW and the insect cuticle? Neville (1985, 1993), Jarvis (1992), Satiat-Jeunemaître (1992) and others have provided evidence indicating that biological helicoids form in muro by directed self-assembly via a liquid crystalline stage. These biochemical processes can be simulated in vitro and by computer modelling. Extracellular structures serving supporting function are composed of large, water-insoluble, inextensible molecules that self-assemble into helicoids in order to achieve a low state of free energy (Neville, 1993). It should be noted that molecular self-assembly of helicoidal structures in extracellular matrices is a striking example of the occurrence of complex design in biological systems without an ‘intelligent designer’ (Kutschera and Niklas, 2004). However, more experimental work is required to support further this concept of the generation of ordered structures from disordered cable-like biopolymers in the extracellular compartments of living organisms.
    Het lijkt me dat Nelson van twee fouten maakt:
    a De twee artikelen die een theologisch punt maken zijn geen vakartikelen, maar bedoeld om aan te tonen dat design geen vooropgezette grootheid is, en geloof en wetenschap samengaan, respectievelijk.
    b Als Intellligen Design een wetenschappelijke theorie was, dan gold het betoog van Kutschera als weerlegging van die theorie; door te zeggen dat Kutschera een theologisch punt maakt, geeft Nelson aan dat ID theologie is.

%d bloggers liken dit: