Denken over taal en denken doordenken

Does treating chairs as masculine and beds as feminine in the grammar make Russian speakers think of chairs as being more like men and beds as more like women in some way? It turns out that it does. (bron)

Fascinerend – een ander woord heb ik er niet voor. De relatie tussen ons taalgebruik en de manier waarop we de wereld waarnemen is al zo oud als de filosofie zelf. Structureert onze taal de manier waarop we de wereld zien en beleven? En betekent dit dat verschillende taalsprekers in een “andere wereld” leven?

Er zijn al veel studies naar verricht, naar de zogenaamde Sapir-Whorf these, die stelt dat inderdaad taal bepaalt hoe we de wereld zien. Maar de meeste studies waren filosofisch, dus conceptueel-rationeel van aard. Er waren wel veel verhalen van bijvoorbeeld Amerikanen die met Chinezen samenwerkten en die nogal eens vreemde culturele verschillen opmerkten (lees bijvoorbeeld de prachtige studie van Richard Nisbett: The Geography of Thought: How Asians and Westerners Think Differently… and Why), maar echt empirisch onderzoek naar de relatie tussen taalgebruik en wereldbeschouwing was er nog niet.

Op de Edge-site verscheen onlangs een artikel van Lera Boroditsky, “an assistant professor of psychology, neuroscience, and symbolic systems at Stanford University, who looks at how the languages we speak shape the way we think.” Zij heeft aan Stanford University en MIT empirisch onderzoek gedaan naar de relatie tussen taal en denken, en zij concludeert (zoals uit bovenstaand citaat blijkt) dat inderdaad ons taalgebruik bepaalt hoe we de wereld waarnemen. Dus dat Russische grammatica bepaalt dat stoelen mannelijk zijn en bedden vrouwelijk (hoe Freudiaans!), bepaalt hoe Russen over stoelen en bedden denken. Het artikel op de Edge-site vat de kern van haar onderzoek in voor iedereen begrijpelijke taal samen.

De homepage van Boroditsky kan hier gevonden worden: http://www-psych.stanford.edu/~lera/ (ga vooral even met de muis over haar foto om de dag met een glimlach te beginnen).

Papers van Boroditsky kunnen hier (in PDF) gedownload worden: http://www-psych.stanford.edu/~lera/papers/.

——-    ——–    ——-   ——–    ——–    ——–    ——–    ——–    ——-

Maar waarom vind ik dit onderzoek fascinerend? Omdat het in mijn visie van alles te maken heeft met geloof en wetenschap. Laat ik dit proberen duidelijker te maken.

Een van de centrale stellingen van Wittgenstein (II) is dat de betekenis van een woord tot uiting komt in het gebruik ervan. Een hieraan verwante stelling is dat het gebruik van een woord laat zien hoe iemand de wereld ziet. Een sprekend voorbeeld hiervan is Wittgensteins discussie over het geloof in een Einde der Tijden in vergelijking met een discussie over het zien van een vliegtuig.

Een implicatie van Wittgensteins filosofie, is dat het gebruik van een woord tot uitdrukking brengt hoe iemand de wereld ziet en beleeft. Iemand die leeft in het besef dat er een Einde der Tijden komt en dat hij/zij voor een goddelijk gericht zal moeten verschijnen, leeft anders dan iemand die dat besef niet heeft. De betekenis van de term “Einde der Tijden” verschilt dus – de term wordt anders gebruikt – voor iemand die leeft in het besef ervan in vergelijking met een niet-gelovige. Met andere woorden: geloof in een Einde der Tijden is niet een louter propositionele bezigheid. Het is niet een “geloof dat…”, maar een expressie van een levenshouding.

Evenzo is een van mijn centrale stellingen, zoals uitgewerkt in God en de menselijke maat: Gods handelen en het natuurwetenschappelijke wereldbeeld, dat iemand die in God gelooft – het woordje “God” dus op een religieuze manier gebruikt – de wereld anders ziet en er anders mee omgaat, dan iemand die niet in God gelooft. Geloof en natuurwetenschap zijn verschillende discoursen en daarmee verschillende manieren om met de wereld om te gaan. Religieuze en wetenschappelijke taal drukken een andere houding uit ten aanzien van de wereld. Gelovigen en wetenschappers zien de wereld dus anders, omdat ze een andere taal spreken.

Atheïsten vinden dat meestal flauwekul. God bestaat niet, punt. Veel atheïsten nemen het wetenschappelijk discours tot uitgangspunt, en verheffen dit tot het dominante discours. Vervolgens spiegelen zij alle menselijke activiteit aan dit discours en bepalen op grond van de criteria van dat discours dat activiteiten “redelijk” dan wel “onredelijk” zijn. Religie is dan al gauw onredelijk, omdat God zich niet wetenschappelijk laat vaststellen.

Wat die atheïsten niet (willen) zien, is dat een gelovige – om een metafoor te gebruiken – in een andere wereld leeft dan een natuurwetenschapper of een atheïst. Gelovigen beleven de wereld anders. Soms lijkt die beleving verwant aan die van atheïsten (vooral als het om alledaagse, schijnbaar triviale zaken gaat, als het doen van boodschappen, naar het werk gaan, etc.). Maar er blijft een groot en onoverbrugbaar onderscheid. Dat onderscheid komt tot uitdrukking in taal.

Atheïsten ontkennen dus dat taalgebruik je werkelijkheidsvisie bepaalt. Zij veronderstellen dat ieder discours te reduceren is tot hun wetenschappelijke discours, dat dit het default discours is, en dat iedereen dit ook zou moeten accepteren. Iedereen die hun discours niet deelt – zich niet houdt aan hun spelregels – is achterlijk en doet niet meer mee.

Maar taalgebruik gaat dus veel dieper – en dat is precies wat het onderzoek van Boroditsky laat zien. En juist daarom vind ik het fascinerend onderzoek, omdat het de stelling van bijvoorbeeld Wittgenstein ondersteunt. Chomsky meende dat bij mensen een universele grammatica ingeboren is. Dat mag zo zijn, maar blijkbaar is die universele grammatica niet allesbepalend.

Blijkbaar is er flexibiliteit, zodat verschillende talen aangeleerd kan worden, en daarmee ook verschillende werkelijkheidsvisies ontstaan. Welke werkelijkheidsvisie de juiste is, is nooit te zeggen, omdat ieder oordeel in taal wordt uitgedrukt en dus zelf een visie veronderstelt.

Een atheïst die een oordeel velt over religie kan dus nooit objectiviteit beogen (hooguit intersubjectiviteit); maar evengoed geldt dit voor een gelovige die een oordeel velt over atheïsme. Wie gelijk heeft, is up for grabs. Uiteindelijk komt het erop neer, wiens retoriek sterker en dus overtuigender blijkt te zijn.

Hier kun je toch over blijven doordenken?

, , ,

  1. #1 door A.M. Greve op 30 juni 2009 - 13:07

    Beste Taede,
    Dank voor je verwijzing naar Boroditsky, inderdaad een fascinerende studie en mooie samenvatting, een aanrader voor iedereen om deze samenvatting te lezen.
    Ook jouw invalshoek boeit. Vooral nadat ik Boroditsky’s samenvatting en jouw verhaal over taal/woordgebruik had gelezen, werd ik opnieuw krachtig bevestigd in de stelling dat er twee werelden zijn. Echter, niet zoals jij tegenover elkaar stelt, die van de gelovige enerzijds en die van de wetenschapper en die van de atheist anderzijds, maar die van de gelovige en die van de niet-gelovige. Ik ben zelf geen atheist (wel van god los), ben gelovig opgevoed en kan me dus nog wel verplaatsen in de gedachtenwereld van een gelovige.
    Een atheist en een wetenschapper leven (en gebruiken taal) dichter bij de realiteit van alledag. Een gelovige (vooral als deze in religieuze termen spreekt) geeft een andere lading en zelfs andere intonatie aan taal, gebruikt taal dán ook werkelijk anders. Is het ene taalgebruik beter of slechter? Nee, het is gewoon anders, van twee verschillende werelden. De ene taal is de taal van de werkelijkheid en de andere van de onwerkelijheid, taal van een reële wereld en taal van een irreële wereld. Beide mag en beide bestaan, en ieder moet zelf maar uitmaken of ie in een reële of een irreële wereld wil leven.
    Lex Greve

  2. #2 door Kanvas Tetrapool op 30 juni 2009 - 14:08

    Dit is inderdaad een heel interessant onderwerp, maar ik krijg de indruk dat je wel wat kort door de bocht gaat, op verschillende punten.
    “Gelovigen en wetenschappers zien de wereld dus anders, omdat ze een andere taal spreken.”
    Dat kan je net zo goed omdraaien: ze zien de wereld anders, dus spreken ze een andere taal.
    “…taal bepaalt hoe we de wereld zien”
    Dat taal invloed heeft op hoe de wereld zien, akkoord. Maar dat het de visie op de wereld _bepaalt_ gaat mij wel wat erg ver.
    “Atheïsten vinden dat meestal flauwekul.”
    Welke atheisten?
    Ook als je vindt dat god niet bestaat, kan je nog steeds van mening zijn dat atheisten en gelovigen op verschillende manieren naar de werkelijkheid kijken. Ofwel: het een volgt niet uit het ander, en beide ideeen sluiten elkaar niet uit.
    “Iedereen die hun discours niet deelt – zich niet houdt aan hun spelregels – is achterlijk en doet niet meer mee.”
    Dit geldt dan misschien voor een deel van de atheisten, maar zeker niet voor alle.
    Kamscheren en vooroordelen over atheisten, krijg ik de indruk.
    Verder niets dan lof.

  3. #3 door Tsjok45 op 30 juni 2009 - 15:20

  4. #4 door Miriam op 1 juli 2009 - 09:52

    Wat die atheïsten niet (willen) zien, is dat een gelovige – om een metafoor te gebruiken – in een andere wereld leeft dan een natuurwetenschapper of een atheïst. Gelovigen beleven de wereld anders. Soms lijkt die beleving verwant aan die van atheïsten (vooral als het om alledaagse, schijnbaar triviale zaken gaat, als het doen van boodschappen, naar het werk gaan, etc.). Maar er blijft een groot en onoverbrugbaar onderscheid. Dat onderscheid komt tot uitdrukking in taal.
    Allereerst: hoe kom je erbij dat ‘atheïsten’ niet willen zien dat gelovigen op een bepaalde manier inderdaad in een andere wereld leven? Ik kan er eerlijk gezegd soms met verbijstering naar staren, de wereld waarin sommige gelovigen leven. Dat is inderdaad niet precies mijn wereld. Maar in die zin leef ik ook in een totaal andere wereld dan pakweg managers, macrobioten, zakenlui, voetbalvrouwen en zwervers. En ja, taal zal daarin zeker een rol spelen. Hoe groot die rol is lijkt me vervolgens moeilijk te meten.
    Doch dat dit verschil a priori onoverbrugbaar is lijkt me hoe dan ook discutabel (en dat mag ik ook van ganser harte hopen). Dat is maar net hoe fanatiek en radicaal de gelovige of niet-gelovige zijn taal koestert, lijkt me.

  5. #5 door alan op 1 juli 2009 - 12:07

    Taede,
    Het hangt er wel van af hoe je die Sapir-Whorf these interpreteert.
    In zoverre dat je de Sapir-Whorf these als linguïstisch relativisme (de taal beïnvloedt ons denken, ons idee van de werkelijkheid, maar de taal is niet de enige bepalende factor)interpreteert, wordt deze these de dag van vandaag algemeen aanvaard en van almaar overtuigender bewijzen voorzien. De bijdrage van Boroditsky is er een van. De radicalere versie van het linguïstisch relativisme, het linguïstisch determinisme (ons denken, onze idee van de werkelijkheid, wordt volledig door de taal bepaald), is in de praktijk uiterst moeilijk kritisch testbaar. In zijn uiterste consequenties impliceert dit immers dat het onmogelijk moet zijn om verschillen (in taal, wereldbeelden) zelfs maar als verschillen te detecteren, aangezien dit detecteren zelf onvermijdelijk moet gebeuren binnen een talig kader, dat op zijn beurt net zo goed gedetermineerd is. We stuiten hier weer op de schemerzone tussen wetenschap en metafysica, waar taal, bewustzijn en hersenen samenkomen.
    Het spreekt vanzelf dat materialisten en atheïsten (Pinker, Chomsky) huiverig staan tegenover het linguïstisch relativisme en meer zien in zijn tegenhanger, het mentalisme. In naam van de “objectiviteit” moet taal dan als een bijkomstig, passief medium worden gezien, waarin ideeën die ook voorafgaand aan hun verwoording al bestonden worden uitgedrukt in een concrete taal. Mensen hebben dan eenzelfde zintuigelijk waarnemingsapparaat, dezelfde aangeboren concepten en logische taal (te herleiden tot dezelfde neurologische structuren), hetgeen tot eenzelfde structuur en inhoud (met de wetenschappelijke theorievorming als het ultieme voorbeeld) van het denken leidt.

  6. #6 door Tom Uytterhoeven op 6 juli 2009 - 19:12

    Voor wie in deze zomerse tijden een luchtige behandeling van dit onderwerp wil lezen: “The Languages of Pao” door Jack Vance (http://www.amazon.com/Languages-Pao-Jack-Vance/dp/0743487141 voor meer info).

%d bloggers op de volgende wijze: