Jesse Bering – “The God / Belief Instinct” (deel 4)

Bestaat God echt, of is God een illusie die door ons brein wordt geproduceerd?

Dat is de kwestie die in het nieuwe en buitengewoon fascinerende boek van Jesse Bering, The God Instinct (in Amerika: The Belief Instinct) aan de orde is. In de komende dagen ga ik in een aantal lange blogbijdragen dit hele boek door en geef ik mijn visie erop. Vandaag het vierde deel, waarin ik verder ga met mijn bespreking-per-hoofdstuk. Vandaag ga ik in op de hoofdstukken 4 en 5.


Jesse Bering, The God Instinct: The Psychology of Souls, Destiny, and the Meaning of Life. London: Nicholas Brealey / New York: W.W. Norton 2011. xiii, 252 pp. 


4. Curiously Immortal

In dit hoofdstuk gaat Bering in op de vraag waar ons idee van persoonlijke onsterfelijkheid, van een persoonlijk voortbestaan na de dood vandaan komt. Opnieuw formuleert hij zijn materialistische visie, wanneer hij stelt dat de vraag naar een voortbestaan na de dood zelf een mysterie is:

In fact, the only real mystery is why we’re so convinced that when it comes to where we’re going “when the whole thing’s done,” we’re dealing with a mystery at all. After all, the brain is like any other organ: a part of our physical body. And the mind is what the brain does – it’s more a verb than it is a noun. Why do we wonder where our mind goes when the body is dead? Shouldn’t it be obvious that the mind is dead too? (113)

Voor Bering is de laatste zin slechts een retorische vraag, maar er zijn dus mensen die echt geloven in een persoonlijk voortbestaan na de dood. Waar komt dat idee dan vandaan? Berings positie in dezen is de volgende:

This position holds that, owing to our inherent inability to project themselves sufficiently into an afterlife devoid of all sensation and mental experience, our ancestors suffered the unshakable illusion that their minds were immortal. It’s this cognitive hiccup of gross irrationality that we have unmistakably inherited from them. (114)

Centraal in deze verklaring staat Berings simulation constraint hypothesis, the idee dat “in attempting to imagine what it’s like to be dead, we appeal to our own background of conscious experiences – because that’s how we approach most thought experiments” (119). Bering vindt het hele idee van een persoonlijk voortbestaan na de dood grote onzin:

Just as our species’ teleo-functional reasoning, erroneously applied to the category of human existence, biases us naturally toward creationist explanations and beliefs in destiny, so, too, does our theory of mind, erroneously applied to the stateless state of death, orient us toward belief in the afterlife. (125)

(De term erroneous is ook een catch phrase van Bering in dit boek.)

Zijn eigen positie in dezen formuleert Bering weer met de nodige retorische stelligheden:

Indeed, it’s only through intellectual labor, and after countless millennia of thinking intuitively otherwise, that today we can arrive at the most obvious of all syllogisms: The mind is what the brain does; the brain stops working at death; therefore, the subjective feeling that the mind survives death is a psychological illusion operating in the brains of the living. (130, cursief in origineel)

 

5. When God Throws People Off Bridges

Menselijke cognitie en dan met name de ToM is verantwoordelijk voor een drietal fundamentele illusies, aldus Bering: (1) de illusie van zin (purpose) en doel (destiny), (2) het gevoel dat bovennatuurlijke boodschappen in natuurlijke gebeurtenissen verstopt zitten, en (3) dat onze mentale levens doorgaan ook na een volledige neurofysische dood. Maar hoe komen deze drie fundamentele illusies nu samen “in a single mind to ground the self in a meaningful world, particularly when it comes to our moral reasoning” (130)? Die kwestie staat centraal in het vijfde hoofdstuk, dat draait om de vraag waarom het kwaad goede mensen treft.

Het punt dat Bering maakt, is dat ons cognitieve apparaat zodanig werkt, dat wanneer ons iets tragisch overkomt, we altijd direct zoeken naar de verantwoordelijken. Dat geldt in het geval van intermenselijk verkeer (bijvoorbeeld een bedrijfsongeval), maar ook wanneer het dus fundamenteel existentiële aangelegenheden als ziekte, lijden en plotselinge dood betreft. Berings eigen idee van hoe het leven in elkaar steekt is even simpel als naïef: Life isn’t fair. But it isn’t unfair either. It just is (133). Veel mensen kunnen dat uiteraard niet accepteren. Ze zoeken naar een diepere reden en als die niet in de natuurlijke werkelijkheid gevonden wordt (en dat gebeurt maar zelden), dan maar in een bovennatuurlijke. Ze denken dan dat God er wel een reden voor zal hebben dat hij ons laat lijden: “Using our theory of mind, many people reckon that God has His own moralistic logic but He holds the cards close to His chest and it’s not for us mere mortals to comprehend” (142). Uiteindelijk moet de wereld fundamenteel moreel zinvol en goed zijn.

Daar komt nog bij dat we ons leven niet voorstellen als bestaande uit zaken die just happen, maar dat we ons voorstellen dat er een lineaire progressie in zit, een groei die zelfs naar een bevredigende climax zal leiden (153). Die wijze van denken is volgens Bering zelfs gemeengoed onder atheïsten (159-164). Hij concludeert uiteindelijk over andere vormen van atheïsme dan zijn eigen:

This pattern of thinking strongly implies that atheism is more a verbal muzzling of God – a conscious, executively made decision to reject one’s own intuitions about a faceless übermind involved in our personal affairs – than it is a true cognitive exorcism. The thought might be smothered so quickly that we don’t even realize it has happened, but the despondent atheist’s appeal to some reasonable, just mind seems a psychological reflex to tragedy nonetheless. This doesn’t make us weak, ridiculous, or even foolish. It just makes us human. (164)

(Die laatste conclusie laat Bering echter alleen gelden voor atheïsten. In de rest van het boek beschrijft hij dergelijke denkstijlen als ze toebehoren aan religieus gelovigen als bijgeloof, onzinnig en irrationeel.) 

Advertisements

, , , , , ,

%d bloggers liken dit: