Maarten Wisse over hoe je zou kunnen geloven – en hoe het volgens hem eigenlijk zou moeten

BoekomslagPersoonlijke religieuze ontboezemingen doen het goed momenteel. Het boek van hofpredikant Carel ter Linden is bezig een theologische bestseller te worden. En nu is daar het boek Zo zou je kunnen geloven van Maarten Wisse. Zowel Ter Linden als Wisse leggen hun persoonlijke, gelovige kaarten op tafel. Maar het boek van Wisse is de antipode van Ter Lindens boek. Ter Linden zag zijn geloof verdampen door de invloed van de natuurwetenschappelijke cultuur. Ter Linden levert zich dus over aan de wereld. Dat doet Wisse niet. Integendeel.

Ooit werd aan Maarten Wisse – universitair docent dogmatiek en oecumene aan de Vrije Universiteit van Amsterdam – de vraag gesteld om in een paar minuten te vertellen waar het in zijn geloof om gaat. Dit boek is bedoeld, zo schrijft Wisse in het eerste hoofdstuk van zijn boek Zo zou je kunnen geloven, als antwoord op die vraag, niet in vijf minuten, maar toch: om helder te krijgen wat hij nu eigenlijk gelooft. Vandaar ook, zo stelt Wisse, dat dit geen wetenschappelijk boek is geworden, maar een persoonlijk document.

Maar ook al is het luchtig geschreven, het is in de kern wel een zwaar boek geworden dat bovendien vanwege zijn radicaliteit niet iedereen zal aanspreken.

Vormen van christendom

Allereerst moet gezegd worden dat het boek verrassend goed geschreven is. Het leest als een trein, vrijwel zonder theologisch jargon, ofschoon het handig is als de lezer iets van de kerkelijke kaart van Nederland afweet. Wisse formuleert meestal helder en pakkend, en is niet vies van cliché’s en slogan-achtige formuleringen. Verschillende hoofdstukken verschenen in vroege versies op de weblog van Wisse.

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel beschrijft Wisse vier vormen van christendom: “traditioneel christendom” (de zware, orthodoxe tak van het christendom, waar Wisse oorspronkelijk ook zelf uit komt), “gemoderniseerd christendom” (zeg maar de gemiddelde PKN-kerken, midden-orthodox tot redelijk vrijzinnig), “evangelicaal christendom” (de opkomende evangelicals) en “buitenkerkelijk christendom” (de zinzoekers die zich buiten de geïnstitutionaliseerde kerken ophouden).

Iedere stroming wordt beschreven aan de hand van een karakteristiek lied. Bij het traditionele christendom is dat gezang 153 (“God enkel licht”) uit de Gezangenbundel van 1938, bij het gemoderniseerde christendom is dat een lied van Huub Oosterhuis (Lied 162, “Omdat Hij niet ver wou zijn”), bij het evangelicale christendom is dat “Heer ik kom tot U”, en bij het buitenkerkelijk christendom heeft Wisse voor “De Bestemming” van Marco Borsato/John Ewbank gekozen. Aan de hand van die liederen laat Wisse zien wat tot de kern behoort van de overtuigingen van de verschillende vormen van christendom, wat de sterke aspecten zijn van betekenisgeving, en waar het betekenisverlies in schuilt.

Foto van Maarten WisseBetekenis centraal

Want Wisse is niet zozeer geïnteresseerd in de vraag welke stroming gelijk heeft, of welke waar is. Wisse heeft een hermeneutische bril op, en wil kijken naar de betekenis van de verschillende vormen van christendom, en wil ook laten zien waar er sprake is van betekenisverlies. Het lukt Wisse echter niet helemaal om duidelijk te maken wat hij nu precies met “betekenis” en “betekenisverlies” bedoelt. Als het bijvoorbeeld gaat om “betekenis” dan gaat het vaak om de betekenis die iemand van een bepaalde stroming hecht aan een idee of een dogma. Echter, als het gaat over “betekenisverlies”, dan is het vaak Wisse die aangeeft dat er bij die stroming iets verloren dreigt te gaan van de rijkdom van het christelijk geloof. Met andere woorden, er lijkt sprake van een perspectiefwisseling wanneer het gaat over “betekenis” en “betekenisverlies”. Helemaal helder is het allemaal niet.

Bovendien lijkt het erop dat Wisse met het gebruik van de term “betekenis” wil aangeven wat door degenen die tot die vormen van christendom behoren van waarde wordt geacht in het christelijk geloof, maar daarbij kom je toch weer heel dicht bij de notie dat het gaat om kernwaarheden van het christelijk geloof, en dan ben je toch weer terug bij het spreken over waarheid.

Hoe dan ook, ofschoon Wisse beschrijft hoe hij vanuit zijn eigen perspectief beschrijft wat er naar zijn mening deugt en niet helemaal deugt aan de verschillende vormen van christendom, spreekt hij toch geen waardeoordeel uit. Of althans, hij doet dat in eerste instantie heel impliciet, en pas later – maar ik kom daar nog op terug – explicieter. Het komt erop neer dat hij in alle vier vormen van christendom waardevolle elementen herkent, maar ook elementen die een schaduwzijde hebben, die in zijn ogen iets afdoen aan de rijkdom van het christelijk geloof.

De paaswake als raamwerk

Het tweede deel van het boek staat relatief los van het eerste deel. En hoewel Wisse zelf stelt dat hij van mening was dat hij het eerste deel niet kon missen, werd mij de eenheid tussen beide delen toch niet helemaal duidelijk. Ook verwijst Wisse in het tweede deel nauwelijks nog naar het eerste terug.

Het tweede deel gaat namelijk om een heel persoonlijke verwoording van wat Wisse ziet als de kernwaarden van het christelijk geloof. Hij doet dus in het tweede deel een poging om zijn eigen geloof te verwoorden en dus een antwoord te geven op de vraag wat voor hem de kern van het christelijk geloof is. Het “raamwerk” dat hij hiervoor heeft gekozen, is dat van de paaswake, omdat daarin de “verbinding met de dood en opstanding van Christus aan de ene kant en de doop van gelovige aan de andere kant” (97) tot uiting komt.

In vier hoofdstukken gaat het achtereenvolgens om bekering, geloof en doop, kerk als gemeenschap en het avondmaal. In het laatste hoofdstuk van het boek, dat volgens Wisse “een beetje los” staat van de overige hoofdstukken, gaat het dan om de vraag “wat je over het christelijk geloof aan kinderen zou kunnen vertellen” (99). Ik zal aan dat laatste hoofdstuk in wat volgt geen aandacht besteden.

Bekering

Uitgangspunt voor Wisse is dat het christelijk geloof een bekeringsreligie is:

Bekering is bekering tot God, tot de enige ware God, de God van Israël. Zo’n bekering is niet een bekering tot een set waarheden – op z’n minst niet alleen. Je bekeren tot de God van Abraham, Izak en Jakob betekent: je bekeren tot de “weg” van Israël. Die “weg”, dat is de weg van Gods geboden, dus: stoppen met verkeerde dingen doen. (102)

Want daar gaat het om: om het stoppen met het kwade te doen: “Het christelijk geloof gaat over het goede, over gerechtigheid, over hoe dat eruitziet, over hoe belangrijk het is en over hoe je het kunt bereiken” (103). En het is wel duidelijk: de mens kan dat niet vanuit zichzelf bereiken. Want het kwaad is een keten (111), een structuur, waar de mens in gevangen zit, waar de mens wel graag uit wil en ook probeert zichzelf uit te bevrijden, maar wat niet lukt, omdat we zelf teveel deel hebben aan het kwaad:

De strijd voor een betere wereld begint op een heel vreemde manier, namelijk met de constatering dat wij die strijd niet aankunnen, om dat we veel te veel deel aan het kwaad hebben. De strijd begint dus met het in de ogen zien van het feit dat wij een betere wereld niet tot stand kunnen brengen. Het koninkrijk van God op aarde brengen kan en doet alleen God zelf. (116)

Doop

En dat betekent heel radicaal: “Wij in deze wereld zijn in zonde ontvangen en geboren en aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen” (117). Vandaar dat we de doop nodig hebben. Want de doop betekent feitelijk dat de oude persoon sterft en met Jezus weer opstaat. Het betekent dat je je volledig overgeeft aan de drieëne God: Vader, Zoon en Heilige Geest:

Als je je laat dopen en christen wordt, lever je je aan die God uit. Je aanvaardt de vaderlijke zorg van de Vader, maar ook de rechtvaardigheid waarmee de Vader zich aan het recht van zijn schepping houdt, de gerechtigheid die hij nastreeft. Je klampt je vast aan de vergeving die de Vader aanbiedt in zijn Zoon, op zo’n manier dat jij jezelf in de Zoon kwijtraakt, met Hem sterft en met Hem opstaat tot een nieuw leven. Je wordt gedoopt in de Heilige Geest, die in je wordt tot een vuur van nieuw leven, of zoals het evangelie van Johannes zegt, een fontein van levend water die opspringt tot in het eeuwige leven. (124)

Als je zo door de dood van de doop bent heengegaan, wordt God je “mental coach om van te leren of een vuur dat je in vlam zet om het goede te doen” (125).

Daar zit overigens voor Wisse wel een problematisch punt, zo geeft hij zelf aan. Want de dood van Jezus, dat idee dat Jezus een offer brengt, blijft een struikelblok, ook voor Wisse als moderne theoloog: “ik zal direct toegeven dat ik het zelf ook een moeilijke vraag vind, de vraag wat de dood van Jezus nu precies tot onze verlossing bijdraagt” (129). Toch gelooft hij dat je die offerdood niet kwijt kunt, omdat je anders de innerlijke samenhang van het christelijk geloof kwijtraakt. En dus: “Zelfs als ik het soms theologisch niet goed kan verwoorden of rationeel niet recht kan breien, dan nog zit het op de bodem van mijn hart: Jezus Christus stierf voor mijn schuld en daarom kan ik leven” (130).

De kerk

Door de doop word je deel van de gemeenschap, van de kerk van Christus. Kerk is voor Wisse vooral een geestelijk begrip, want hij ziet ook wel dat er binnen de kerk als institutie ontzettend veel dingen fout gaan. Vreemd genoeg lijkt het mental coaching van God niet zo effectief. Vandaar dat Wisse kerk zo minimaal mogelijk wil houden (het hoofdstuk over de kerk is ook het kortste van het hele boek):

Kerk is daar waar mensen elkaar de goede boodschap verkondigen, dopen en avondmaal vieren. Daar is Christus aanwezig door zijn Geest. In de Bijbel staat: “Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, ben Ik in hun midden” (Matt. 18:20). Dat moet genoeg zijn, tot hij terugkomt. De rest is een verzameling voorlopige en menselijke manieren om de gemeenschap zo goed mogelijk samen te laten leven. Zolang die manieren aan dat samenleven ten dienste staan, zijn ze op hun plaats. Zodra ze daaraan niet meer bijdragen, is het tijd ze te vervangen. (143)

Het avondmaal

De doop en de gebeurtenis die door de doop wordt gesymboliseerd, wordt bekrachtigd door het avondmaal: “Avondmaal vieren is: je omdraaien naar God toe. Het is opnieuw verbinding maken en verbonden worden met Jezus Christus, met je medemens en met jezelf” (149). Avondmaal is opnieuw een verzoeningsmoment, “verzoening met God, verzoening met je medemens en verzoening met jezelf” (149). Het is als het ware – Wisse zelf gebruikt de metafoor – de vredespijp roken, maar ook “God aanraken”, want “Nergens komt God dichterbij dan hier”, dus in het avondmaal (150). In het avondmaal word je één met Christus en dat betekent dus ook gerechtigheid doen, want dat kan alleen in de band met Jezus Christus helemaal bereikt worden, en het avondmaal is daarin een oefening (151).

Wisse maakt echter aan het eind wel een vreemde move. Hij stelt dat aan het avondmaal iedereen gelijk is; macht, geld, aanzien – het doet er allemaal niet meer toe: “Het avondmaal is een grote oefening in gelijkschakeling en ontmaterialisering” (154). Dat gaat echter voor Wisse zelfs zover dat seksualiteit er niet meer toe doet:

Het gaat om hoe je uiteindelijk bent, om wat je tot mens maakt voor het aangezicht van God. Tot die essentie behoort dus niet dat je getrouwd bent, dat je singel bent, homo of hetero. Voor het aangezicht van God is iedereen gelijk en is iedereen samen. (155)

Essentialisme en verwaarlozing van relaties

Maar wie staat er dan voor het aangezicht van God? Wie ben ik zonder de relaties die me maken tot wie ik ben? Het lijkt erop dat Wisse hier vervalt tot een vorm van essentialistisch denken, waarbij relaties er niet toe doen, maar waarbij alleen een mysterieuze “essentie” voor het aangezicht van God verschijnt, een soort “ziel” misschien of een “ego”? Wisse laat zich er verder niet over uit.

Maar temeer wordt daar duidelijk wat de consequenties zijn van Wisses denken. Want wat gebeurt er nu eigenlijk wanneer de mens wordt gedoopt en wordt opgenomen in de gemeente van Christus? Eigenlijk niets minder dan een volledige wereldverzaking. Op het moment dat de persoon wordt gedoopt, sterft zij en staat zij op met Christus. De persoon na de doop is een andere dan voor de doop. De persoon vóór de doop is dood. Dat betekent feitelijk dat voor Wisse de gemeente van Christus weliswaar in de wereld is, maar niet langer van de wereld. De gemeente van Christus is verlost van de wereld die doortrokken is van het kwaad.

Met en in de doop wordt de wereld achtergelaten en alle structuren, identiteiten, rollen, etc. die tot die verdoemde wereld behoren – en dit wordt dan bekrachtigd in het avondmaal. Die structuren, identiteiten, rollen, relaties, etcetera moeten als “kwaad” worden bestempeld, niet omdat ze zelf zozeer kwaad doen, maar omdat ze onderdeel uitmaken van de structuur van het kwaad, van de keten die het kwaad is. Dat kwaad moet overwonnen worden, dat kan de mens niet, dat kan de mens alleen in totale overgave aan God die in Christus de werkelijke Verlosser is.

In de doop worden dan ook alle relaties opgeheven, want die doen er voor God niet toe. Alle mensen zijn gelijk, worden dus blijkbaar door God losgekoppeld gezien van het netwerk van sociale interacties, relaties en identiteiten waarin ze zijn ingebed, en waaraan ze hun identiteit ontlenen. Of zoals Wisse het zegt:

Uiteindelijk is dit boek toch een pleidooi voor een vorm van christendom met zo’n radicale zondebelijdenis erin, waarbij je in de doop helemaal sterft, je totale mislukking erkent om in Jezus Christus een nieuwe mens te worden. (121)

Inconsistentie

Daar komt nog een inconsistentie bij. In eerste instantie zegt Wisse “dat wij een betere wereld niet tot stand kunnen brengen. Het koninkrijk van God op aarde brengen kan en doet alleen God zelf” (116). Dit klinkt heel protestants. Maar vervolgens stelt Wisse “dat je het goede alleen kunt bereiken door Jezus Christus. (…) Jezus is God, door wie alleen je de kracht kunt vinden om je om te draaien, een nieuwe mens te worden en het goede te doen” (119).

Hier zit iets raars in. Enerzijds zegt hij dat de mens een betere wereld niet tot stand brengen, maar dat alleen God zelf dat kan. Vervolgens echter stelt hij dat de mens het goede wel kan bereiken, maar dan wel door Jezus Christus. Het is dus weliswaar door de kracht van God in Christus, maar niettemin is het de mens die het goede kan bereiken. God treedt weliswaar op als een mental coach (125) om van te leren, maar net als net als bij menselijke coaches blijft het uiteindelijk de cliënt die het moet doen.

Hoe zit het nu? Kan de mens het koninkrijk Gods op aarde brengen of niet? Of zijn wellicht de handelingen van de gedoopte en dus nieuwe mens niet langer zijn/haar eigen handelingen, maar is het God die werkt door de gedoopte mens? Maar als dat laatste het geval is, waarom maken ook gedoopte mensen dan soms zo’n puinhoop van zaken (zoals Wisse in het hoofdstuk over de kerk impliciet stelt)? Hoe effectief is “de ideale coach … die God wel moest zijn” (128)? Wisses boek roept dus een heel aantal theologische spanningen op.

Besluit

Wat een radicale boodschap. Moest dat nou echt zo? Wisse is zich ervan bewust dat zijn boodschap niet lekker bekt, maar meent dat hij er toch niet onderuit kan:

De reden om toch voor die zware variant te kiezen, is dat ik denk dat je op die manier dat wat het christelijk geloof mensen te bieden heeft, op de meest diepgaande manier betekenis kunt geven. Als de diagnose radicaler is, kan de behandeling ook radicaler zijn en de genezing totaler. (…) Je mist dus wat volgens mij, als je niet voor die radicale zondebelijdenis gaat… (121)

Als je het hele boek gelezen hebt, dus ook het eerste deel, dan zie je dat Wisse in deze paar zinnen toch uit de kast komt en uitdrukkelijk kiest voor de theologische kern van het traditionele christendom, en met de laatste zin impliciet een theologisch oordeel velt over de andere drie vormen van christendom.

Ik begrijp de taal, ik kan het denken en de argumentatie van Wisse na- of meedenken, maar ik kan wat hij gelooft niet nazeggen, noch kan ik het navoelen. Inderdaad, de titel heeft gelijk: zo zou je kunnen geloven. Maar ik kan het zo niet.

Maarten Wisse, Zo zou je kunnen geloven. Franeker: Wever van Wijnen 2013. ISBN 9789051944655. 176 pp. Paperback, € 14,95.

Het blog van Maarten Wisse is hier te vinden: http://www.geloven.nu/.

, , , ,

  1. #1 door Angela Roothaan op 22 oktober 2013 - 10:35

    Taede, fijn weer zo’n uitgebreide boekbespreking. Dank. Ik struikel er alleen een beetje over dat je in het stuk spreekt over christendom en zijn vier vormen, en daar horen dan orthodoxen, koptische en Armeense christenen, oud- en rooms-katholieken (en nog zo wat meer groepen) niet bij. Ik kan niet goed begrijpen dat onder theologisch opgeleiden zo weinig kritisch christendom en (voor een groot deel zelfs enkel Nederlands) protestantisme worden vereenzelvigd. Overigens doen rooms-katholieke theologen het vaak ook zo, maar dan omgekeerd. In dit geval weet ik niet of het helemaal aan Wisse of ook een beetje aan jouw samenvatting ligt?

  2. #2 door Taede Smedes op 22 oktober 2013 - 10:41

    Hoi Angela,

    Het is Maarten Wisse zelf die het onderscheid in de vier groepen maakt. Hij geeft in zijn boek expliciet toe dat hij zich tot protestantisme beperkt (en dus ook het katholicisme daarbuiten laat).

  3. #3 door Angela Roothaan op 22 oktober 2013 - 10:42

    Nou, dan is het hele probleem opgelost. Was wel aardig geweest om dit ook te vermelden.😉

  4. #4 door Walter op 27 oktober 2013 - 01:55

    Zoals uit je commentaar blijkt, is de titel van de heer Wisses boek correct: Niets is zeker en je kan van alles en nog wat geloven. Uiteindelijk kiest Wisse toch maar voor de gereformeerde leer zoals hij dat ook opbiechtte in een interview uit 2011 met het Ref. Dagblad.

    Deze uitspraak van jou snap ik niet:: “Ik begrijp de taal, ik kan het denken en de argumentatie van Wisse na- of meedenken, maar ik kan wat hij gelooft niet nazeggen, noch kan ik het navoelen.”

    Nou, ik begrijp Wisse in het geheel niet en kan net als jij wat hij gelooft niet nazeggen noch navoelen.

    Wisse: “ik zal direct toegeven dat ik het zelf ook een moeilijke vraag vind, de vraag wat de dood van Jezus nu precies tot onze verlossing bijdraagt” (129).

    Als Wisse niet begrijpt wat het verlossingsplan van God inhoudt, wat kan deze godgeleerde dan betekenen voor gelovigen en niet-gelovigen?

    Taede, ik ben het grotendeels eens met je commentaar op de uitspraken van Wisse, alleen snap ik niet waarom jij mee kunt denken met zijn argumenten. Ben je misschien ook opgevoed in de gereformeerde leer?

  5. #5 door Saskia op 28 december 2013 - 11:13

    Dag Taede, die slotzinnen “Ik begrijp de taal, ik kan het denken en de argumentatie van Wisse na- of meedenken, maar…(…) zo zou je kunnen geloven. Maar ik kan het zo niet.”, die vragen juist weer om een nieuw begin…en maken mij nieuwsgierig. Ik geef les aan 15 tot soms wel 21 jarige leerlingen, ver van de kerk verwijderd op een middelbare school in Vlaanderen en ik ben altijd op zoek naar formuleringen ‘hoe kunnen we dan nog wel formuleren wat we geloven?’ Kun je een begin van een antwoord aanreiken?

  1. De Dalai Lama pleit voor een universele ethiek zonder religie (boekbespreking) | Taede A. Smedes
%d bloggers op de volgende wijze: