Verdedigde Immanuel Kant ooit theïstische evolutie? (boekbespreking)

Een boek over geloof en wetenschap, van de hand van de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) – zo kan Kants natuurfilosofische werk Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels uit 1755 wel gekenmerkt worden.

Het boek is recentelijk voor het eerst in het Nederlands vertaald, door Kant-vertaler Willem Visser, en met de mooie titel Het ontstaan van het heelal en de goede God.

Maar kosmologie uit de 18e eeuw, is dat niet volledig achterhaald? Niet helemaal dus. Een korte bespreking…

De Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) is vooral beroemd geworden door zijn drie “Kritieken”, maar hij is ook beroemd buiten de filosofie. In de sterrenkunde is hij bekend vanwege de “zonnenevel-hypothese” of de “Kant-Laplace-hypothese” die het ontstaan van ons zonnestelsel en het universum verklaart op basis van een ordening uit chaos.

In Kants Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels uit 1755, die nu voor het eerst in het Nederlands vertaald is door Willem Visser, beschrijft Kant hoe hij meent dat het zonnestelsel en het universum als geheel verklaard kan worden op basis van “aantrekking” (zwaartekracht) en “afstoting” (centrifugale kracht).

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel beschrijft Kant hoe het universum een systematisch geheel is. Onze melkweg is één van vele sterrenstelsels, maar de onderliggende principes zijn allen gelijk. In het tweede deel – het langste van het boek – beschrijft hij de wording van ons zonnestelsel (hij kende alleen de zes planeten Mercurius, Venus, de aarde, Mars, Jupiter en Saturnus, maar vermoedde dat er wellicht nog meer planeten zouden zijn).

Hij beschrijft hoe eerst de zon ontstaat uit wervelingen van materiedeeltjes, die vervolgens samenklonteren volgens het principe van aantrekking en afstoting die langzaam een soort evenwicht doen ontstaan. De zon ontstaat, daarna de planeten en de verschillende manen. Ook de kometen worden door Kant beschreven.

In het derde en kortste deel gaat het over de bewoners van de verschillende planeten. Kant is stellig van mening dat vele planeten bewoond zijn of dat ooit nog zullen worden. Hij meent dat hoe verder de planeten van de zon afstaan, des te beter het denkvermogen zal zijn van de bewoners van die planeten, want de hindernissen die de materie voor het denken opwerpen zijn dan geringer.

Het boek zal voor sterrenkundig-geïnteresseerde lezers vooral interessant zijn om te zien wat de stand van zaken van de wetenschap toen was en hoe Kant over bepaalde zaken dacht. Veel van de toenmalige astronomische kennis is nu volledig achterhaald (zoals Kants idee dat de ringen van Saturnus uit ijle nevels bestaan die de planeet uitwasemt, of zijn ideeën over kometen en het noorderlicht).

Maar het boek is ook interessant voor godsdienstfilosofen. Want waar is God in dit alles? Kant biedt een zuiver mechanicistische verklaring voor het ontstaan van het universum, van de sterrenstelsels, en van de planeten. Een verklaring die in filosofisch opzicht verder gaat dan Newtons ideeën over het heelal.

In het boek gaat Kant expliciet met Newtons ideeën in debat. Newton had God nodig om de orde van het universum te verklaren. Kants mechanicistische verklaring doet Newtons beroep op God als verklaring voor de orde teniet. Kants theorie is een voorbeeld van een zuiver naturalistische benadering.

Toch bestrijdt Kant dat dit een atheïsme impliceert. In het voorwoord schrijft Kant dat zijn theorie weliswaar lijkt op die van Lucretius, of Epicurus, Leucippus en Democritus (30), maar dat zij zich moesten bedienen van het “blinde toeval” (31) om de orde van het heelal te kunnen verklaren. Voor Kant is dat een ongerijmdheid. Bij Kant is het geen toeval, maar de noodzakelijkheid van wetmatigheid die voor de orde zorgt. Maar waar komt die noodzakelijkheid dan vandaan? Hoe zijn die natuurlijke wetmatigheden tot stand gekomen?

Volgens Kant ligt aan alles “een gemeenschappelijke eerste oorsprong, die een algenoegzaam hoogste verstand moet zijn” (31) ten grondslag:

De materie, de oerstof van alle dingen, is dus gebonden aan bepaalde wetten; vrijelijk overgeleverd aan die wetten, moet ze noodzakelijk fraaie verbindingen voortbrengen. Ze heeft geen vrijheid om af te wijken van dit plan van volkomenheid. Aangezien ze dus is onderworpen aan een zeer wijs plan, moet ze noodzakelijk door een over haar heersende eerste oorzaak in zulke overeenstemmende verhoudingen geplaatst zijn. Er is een God juist omdat de natuur zelfs in een toestand van chaos uitsluitend regelmatig en ordelijk te werk kan gaan. (32)

Veel later formuleert Kant het nog uitgebreider:

Laten we dus een veel gepastere en juistere conclusie trekken: de natuur, overgeleverd aan haar algemene eigenschappen, is zeer rijk aan louter fraaie en volmaakte vruchten die niet alleen op zich harmonie en voortreffelijkheid laten zien, maar ook naar hun hele wezen in volle harmonie verkeren met het nut van de mens en de verheerlijking van de goddelijke eigenschappen. Daaruit volgt dat haar wezenlijke eigenschappen geen onafhankelijke noodzakelijkheid kunnen hebben, maar dat ze hun oorsprong in één enkel verstand moeten hebben; de grond en bron van alle wezens, waarin ze mét hun gemeenschappelijke betrekkingen ontworpen zijn. Alles wat zich in een onderlinge harmonie bevindt, moet ook onderling in één wezen, waarvan het afhangt, onderling verbonden zijn. Er is dus een wezen van alle wezens, een oneindig verstand en zelfstandige wijsheid, waaraan de natuur, zowel wat betreft haar mogelijkheid als de totaliteit van haar bepalingen, haar oorsprong ontleent. M[e]n kan de vermogens van de natuur niet meer ontkennen omdat ze in strijd zouden zijn met het bestaan van een hoogste wezen; hoe volmaakter de ontwikkelingen van de natuur zijn, hoe meer haar algemene wetten leiden tot orde en overeenstemming, met des te meer zekerheid bewijst ze het bestaan van de godheid, aan welke ze deze verhoudingen ontleent. Haar voortbrengselen zijn geen resultaten meer van samenlopen van omstandigheden, geen gevolgen van het toeval; alles vloeit uit haar voort volgens vaste wetten, die enkel en alleen iets kunstigs present kunnen stellen, omdat ze trekken vertonen van het meest wijze plan, waaruit alle wanorde verbannen is. Het was niet de toevallige samenloop van de atomen van Lucretius die de wereld heeft gevormd; nee, inherente krachten en wetten, die als bron het meest wijze verstand hebben, waren de onveranderlijke oorsprong van een orde die niet toevallig, maar noodzakelijk uit ze moest voortvloeien. (168-169)

Met andere woorden, God als eerste oorzaak is de oergrond van al wat is, is de oorsprong van de materie én van de wetten waaraan die materie gehoorzaamt. Tegelijkertijd komt door die wetten een kosmos tot stand, een ordening.

God grijpt blijkbaar niet langer in in de kosmos, Kant zegt er tenminste niets over. Het zijn de wetten die datgene bewerkstelligen wat in het verstand van God was, de natuurwetten realiseren de ideeën van de mind of God.

God als de eerste oorzaak en de oergrond van alles komt heel dicht in de buurt van deïsme. Dat schrijft ook Willem Visser in zijn inleiding tot het boek. Maar je kunt het toch ook anders bekijken. Wat Kant beschrijft zou net zo goed onder de noemer van theïstische evolutie door kunnen gaan (zij het dat “evolutie” dan niet in biologische zin opgevat moet worden, maar als synoniem voor “ontwikkeling”).

Theïstische evolutie is de laatste jaren de positie geworden dat God schept door middel van evolutie; de biologische evolutietheorie wordt dan een beschrijving van hoe God schept. Evenzo is bij Kant de mechanicistische beschrijving van hoe de ordening van het heelal met zijn de sterrenstelsels, de zonnen, planeten en manen tot stand komen, een beschrijving van hoe God schept. De natuurwetten zijn de handelende instanties die Gods intenties tot stand brengen. Ik vermoed dat de pre-kritische Kant met dergelijke ideeën prima uit de voeten kon. Hij lijkt daarmee toch een vorm van theïstische evolutie te verdedigen.

Maar dit alles weerspiegelt wellicht slechts de ideeën die Kant huldigde ten tijde van het schrijven van de Allgemeine Naturgeschichte en misschien ook nog ten tijde van zijn Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Daseins Gottes uit 1763 (waarvan een passage als appendix in dit boek is opgenomen).

Maar of hij het later nog met die ideeën eens zou zijn, is de vraag. Want zijn theologische en filosofische positie zou in de daaropvolgende jaren behoorlijk gaan verschuiven. In zijn “kritische periode” (de eerste uitgave van de beroemde Kritik der reinen Vernunft verscheen in 1781), zou hij radicaal anders over God gaan denken, zelfs zover dat God en wereld geen enkel raakpunt meer leken te hebben…

Immanuel Kant, Het ontstaan van het heelal en de goede God, bezorgd door Willem Visser. Amsterdam: Sjibbolet Origine 2013, 240 pp., paperback, ISBN 9789491110153, 29,90 euro.

, , , , , , , , , , , , ,

  1. #1 door nand braam op 30 oktober 2013 - 09:44

    @ Taede

    “In zijn “kritische periode” (de eerste uitgave van de beroemde Kritik der reinen Vernunft verscheen in 1781), zou hij radicaal anders over God gaan denken, zelfs zover dat God en wereld geen enkel raakpunt meer leken te hebben…”.

    Is dus de introductie van het NOMA-principe (non- overlapping magisteria) door de bioloog Stephen Jay Gould eigenlijk terug te voeren op de filosofie van Immanuel Kant?

  2. #2 door Taede Smedes op 30 oktober 2013 - 09:45

    Nand,

    Helemaal spijker op zijn kop!

  1. Verdedigde Immanuel Kant ooit theïstische evolutie? | Sargasso
%d bloggers op de volgende wijze: