Emiel Hakkenes en de God van de gewone mensen (boekbespreking)

Een paar weken geleden kreeg ik van uitgeverij Thomas Rap spontaan het boek God van de gewone mensen van Trouw-redacteur Emiel Hakkenes toegestuurd. Waarom ik dit boek kreeg thuisgestuurd weet ik niet. Maar ik ben de uitgeverij er zeer dankbaar voor.

Want voordat ik het boek las kende ik Emiel Hakkenes niet, kende ik ook het boek niet, zou ik het boek vermoedelijk niet zelf gekocht hebben en dus niet gelezen. Ik geef het maar eerlijk toe.

Maar toen ik eenmaal begon te lezen, heb ik de ruim 300 bladzijden in ongeveer een dag lezen verslonden. Al vanaf de eerste alinea’s werd ik het verhaal ingezogen en aan het eind van het boek gekomen vond ik het bijna jammer afscheid van de familie Hakkenes én van het dorpje Gieten te moeten nemen. Dit boek verdient alle mogelijke lof. En het zou verplichte kost moeten zijn aan de opleidingen journalistiek.

Laat ik direct zeggen dat het boek van Hakkenes geen theologieboek is. Het bevat geen theologische discussies, het vermijdt vrijwel alle theologische jargon. Het heeft ook niets met godsdienstfilosofie of filosofie te maken. Ook is het geen atheïstisch pamflet of een afrekening met het christelijk geloof. Het is vooral een bijzonder sympathiek boek over de familie van Hakkenes. Het is een journalistiek verslag van de persoonlijke zoektocht van auteur Emiel Hakkenes naar het geloof van zijn voorouders.

De geschiedenis van Hakkenes’ familie blijkt ingebed in een stukje kerkgeschiedenis, namelijk de geschiedenis van de gereformeerde kerken in Nederland. En het ligt voor een stuk ingebed in de geschiedenis van het Drentse dorp Gieten, waar Hakkenes werd geboren en opgroeide. En voor een deel is de geschiedenis van het Drentse dorp Gieten ook de geschiedenis van zijn ouders, met name van zijn vader. Het is een huzarenstukje om al die geschiedenissen bij elkaar te brengen, maar Hakkenes slaagt daarin met verve. Dit boek behoort daarmee tot de allerbeste boeken die ik dit jaar heb gelezen.

Kralensnoer

De aanleiding voor het boek, zo schrijft Hakkenes, is de vraag die zijn ouders tijdens de kraamvisite van zijn eerstgeboren kind stelden: of hij het kind ook zou laten dopen. Dat zet Hakkenes aan het denken. En zo begint zijn zoektocht naar het geloof van zijn familie en hoe dat geloof uiteindelijk uit de familie verdween:

Ik zie hoe mijn ouders leven met een godsgeloof, net als hun ouders en hun grootouders en hun voorouders, tot in de eeuwen der eeuwen, amen. Waarom lukt mij dat niet? Hoe kan het dat na al die tijd God op het punt staat uit mijn familie te verdwijnen? Ik kijk naar mijn zoon en denk aan de studentendominee en haar Joodse gezegde: ook jij bent een kraal aan een snoer door de tijd. Mar met wie ben je verbonden? Met je moeder en mij, met je grootouders – maar dan? (15)

Het is die metafoor van het kralensnoer die alle geschiedenissen van het boek verbindt. Alles blijkt met alles te maken te hebben, alle geschiedenissen zijn als Matroesjka-poppetjes in elkaar geborgen. Zijn ouders zijn stellig van mening dat de familie altijd gereformeerd is geweest, maar dat blijkt niet het geval. Tijdens zijn zoektocht naar het geloof van zijn voorouders blijkt dat Hakkenes’ voorouders weliswaar zeer vroom waren, maar toch ook tamelijk pragmatisch met hun denominatie zijn omgesprongen, of liever: het was de liefde die regelmatig de loyaliteit aan de denominatie overwon. En dan met name de liefde van de man voor de vrouw.

Ik ga het boek niet samenvatten, dat lukt me werkelijk niet. Bovendien verschijnen er momenteel al voldoende interviews met Hakkenes over het boek, zodat de nieuwsgierige lezer al gauw een indruk kan krijgen van het boek. Bovendien is het boek zelf al een samenvatting van een paar eeuwen geschiedenis.

Gereformeerd

Zoals gezegd is het boek een gelaagd relaas van een familiegeschiedenis die ligt ingebed in de geschiedenis van de plaatsen waar de familie heeft gewoond, die weer ligt ingebed in de geschiedenis van Nederland. Het is ook een boek dat de geschiedenis van de gereformeerde kerken in Nederland beschrijft, met De Cock, Abraham Kuyper, Geelkerken en Schilder als centrale figuren. De geschiedenis van de gereformeerde kerk in Nederland blijkt cruciaal voor de geschiedenis van de familie van Hakkenes.

Zo beschrijft Hakkenes hoe hij een bezoek brengt aan het Catharijneconvent in Utrecht om de deur van de Nieuwe Kerk in Amsterdam te bekijken. Die deur werd door Abraham Kuyper en zijn gevolg ingebeukt, waarna de Nieuwe Kerk door de dolerenden werd gekraakt. De deur blijkt in het depot te zijn opgeborgen, maar wordt voor Hakkenes tevoorschijn gehaald.

Daar staat hij dan, leunend op stukjes schuimrubber. Het ding is bruin gebeitst, gebutst en beschadigd. Ik schat het tweeënhalve meter hoog en een meter breed. De Deur heeft acht vlakken, panelen waarvan er in het midden een ontbreekt – het werk van Kuyper en zijn paneelzagers.

Dit is het dus.

‘Als Kuyper die deur niet had vernield, was mijn familie niet gereformeerd geworden,’ zeg ik tegen [collectiebeheerder] Peter den Held.

Hij knikt. ‘Ja,’ zegt hij. ‘Zo kun je hier een heel goed verhaal bij vertellen. Maar in een boek lukt dat veel beter dan in een museum’. (166)

Literaire nonfictie

Iedere recensie wordt door een andere persoon geschreven, die weer op andere zaken let. In veel besprekingen of aankondigingen ging het vooral om het sociologische aspect van het boek, zoals dat het het secularisatieproces van Nederland zou beschrijven, de neergang van “religieuze regimes”. Ook dat zit er inderdaad allemaal in.

Maar ik raakte tijdens het lezen van het boek vooral gecharmeerd door twee andere aspecten: de schrijfstijl en de manier waarop het boek was opgebouwd, dus de compositie ervan. En als puntje bij paaltje komt, zou ik ervoor willen pleiten dat dit boek verplichte kost wordt voor alle aankomende journalisten.

Er is momenteel tamelijk veel aandacht voor “literaire nonfictie”, een journalistiek genre dat in Nederland relatief onbekend is (o.a. Frank Westerman is een grote naam binnen dit genre), en dat langzaam uit de VS lijkt te zijn komen overwaaien. In dat genre gaat het, zoals het de journalistiek betaamt, in eerste instantie om de weergave van de feiten. Het literaire karakter zit vervolgens in de wijze waarop die feiten worden weergegeven: in de verhalende vorm. Er wordt een perspectief ingenomen, er wordt verteld in plaats van opgelepeld, het principe show, don’t tell staat centraal: niet uitleggen, maar laten zien hoe het gaat. Vertellen dus. En dat vertellen, dat is precies wat Hakkenes doet, en dat doet hij werkelijk verdomd goed!

Compositie

Neem alleen al de compositie van het boek als geheel, die onwaarschijnlijk complex gelaagd én geslaagd is. Het boek is grotendeels chronologisch opgebouwd, dat wil zeggen: het begint eind 1700 bij de vroegste voorouder van Hakkenes’ familie en eindigt bij het geloof van zijn ouders en zijn eigen ongeloof. Maar gaandeweg de chronologische vertelling – en dus gaandeweg het boek – ontstaan er steeds meer lagen in het boek. Het is bijzonder knap hoe Hakkenes een thematiek in bepaalde hoofdstukken weet aan te brengen (huwelijk, dood, politiek, Tweede Wereldoorlog, etc.), zonder de chronologie te doorbreken.

Laat me een voorbeeld geven (dat in samenvatting veel minder goed uit de verf komt dan in het boek zelf). Zoals gezegd is het boek ook het verhaal van het dorp Gieten en met name de worsteling ten tijde van Hakkenes’ ouders om een gereformeerde kerk en school te stichten in dat dorp. Welnu, het lukt Hakkenes op briljante wijze doorheen de chronologie van het boek en in de thematiek van de hoofdstukken parallellen te laten zien tussen “heel vroeger” en “vroeger”. Soms pakt dat heel ironisch uit.

Een voorbeeld gaat over tucht en zeden. Hakkenes beschrijft bijvoorbeeld hoe in de jaren ’80 in de gereformeerde kerk van zijn ouders werd geworsteld met het fenomeen “voorechtelijke zwangerschap” en “echtscheiding”. Hij beschrijft hoe de verplichte “schuldbelijdenis” die echtparen voor het huwelijk moesten afleggen langzaam wordt losgelaten, hoe de mentaliteit omtrent zwangerschap en echtscheiding langzaam losser wordt. In de volgende alinea’s beschrijft Hakkenes dan hoe in de jaren ’30 gemeenteleden onzeker werden door de obsessie voor tucht en zeden. Hakkenes beschrijft hoe gemeenteleden worstelden met het fenomeen “spelletjes”: mag je op zondag spelletjes doen, zoals dammen of mens-erger-je-niet? De ironie – zonder spottend te worden – is verrukkelijk: de veranderende kerkelijke omgang met voorechtelijke zwangerschap en echtscheiding in de spiegel van een dodelijk serieuze discussie over een spelletje mens-erger-je-niet (230-231). Twee volstrekt andersoortige onderwerpen, slechts verbonden door het onderwerp “tucht en zeden”.

Zonder belerend te worden of een conclusie te trekken, maakt Hakkenes door de rare, maar toch ook zo rake parallel het verschil in mentaliteit tussen “heel vroeger” en “vroeger” tastbaar. Wij snappen nu niet dat men zich ooit druk heeft gemaakt om zoiets onschuldigs als spelletjes. We glimlachen om de dominee die afraadt mens-erger-je-niet te spelen, omdat het een dobbelspel was. Maar juist in de ironie trilt een serieuze ondertoon mee, die pas later in het boek ten volle duidelijk wordt. Want het is door de aanpassing aan en het meegaan met de omringende cultuur dat het geloof uiteindelijk verdwijnt. In de discussie over spelletjes maakt Hakkenes duidelijk dat het in de discussie over spelletjes, juist in de tegendraadsheid ervan, het ingaan tegen de bredere cultuur, dat het geloof daarmee ook ergens voor stond, iets te zeggen had, authentiek was, een statement maakte.

Het is duidelijk dat, ofschoon Hakkenes het geloof van zijn voorouders niet deelt, hij diep respect heeft voor hun geloof. Ook uit de ironie van Hakkenes’ beschrijving van de spelletjes blijkt uiteindelijk een diep respect voor de overtuiging die achter die discussie schuilging. Want dat ging namelijk ergens over, die gelovigen stonden ergens voor, terwijl juist het loslaten van principes zoals ten aanzien van voorechtelijke zwangerschap en echtscheiding er uiteindelijk voor zorgde dat het geloof verwaterde en verdampte. Als je met dat besef het boek leest, krijgt zo’n schijnbaar onbenullige discussie over spelletjes ineens een ongelooflijke diepgang.

Stijl

En dan is daar de stijl van schrijven, waar ik een diep respect voor heb. Hakkenes is een meester in milde ironie die mij regelmatig hardop deed lachen, maar die nergens spottend wordt. (Integendeel, Hakkenes lijkt zijn ironie op haast Kierkegaardiaanse wijze in te zetten.) Maar naast ironie is er ook een voortdurend besef voor de tragiek van het bestaan, dat door iedere alinea van het boek siddert. Het knappe nu is dat Hakkenes die gevoelens van iroonie en tragiek weet op te roepen louter door een feitenrelaas te beschrijven. Hij blijft puur bij de feiten en laat die het verhaal vertellen. De taal is dus eenvoudig, zonder opsmuk, de zinnen zijn kort. Maar ondertussen brengt die eenvoudige taal een hele wereld tot leven en zijn de beschrijvingen juist door hun eenvoud van een ongekende schoonheid.

Het sterkste voorbeeld dat ik daarvan in het boek heb kunnen vinden, is de korte beschrijving van de begrafenis van zijn eigen broer. Let erop hoe Hakkenes een sfeer schetst door louter de feiten weer te geven:

Een minuut of drie, 24 verzen, duurde de psalm die ik voorlas. De kerk was vol, zag ik toen ik opkeek van de tekst. Mensen moesten staan.

Er werd een lied gezongen.

Ik zag een typefout in het liturgieboekje.

Het orgel verstomde, er viel een stilte.

Ik keek mijn vader aan en pakte zijn hand. We liepen het podium op. Tussen de kansen en de doopvont lag Wim in zijn kist. Het deksel stond ernaast. Mijn vader en ik pakten het samen op en sloten de kist ermee af. Dat was mijn idee geweest. De gedachte dat een wildvreemde zwarte kraai als laatste mijn broer zou zien, maakte me de afgelopen dagen verdrietig.

De stoet van de gereformeerde kerk naar het kerkhof van Gieten was zolang als onze straat. De winkels hadden de vlag halfstok gehangen. Met gebogen hoofd stonden de slager en de groenteman in de deuropening. De klok van de hervormde kerk luidde. De politie stond klaar om op de drukste kruispunten het verkeer tegen te houden. De begraafplaats was drassig. De ‘blikken dominee’ ging voor in gebed: ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alsook op de aarde’. De kist zakte naar beneden. We wierpen er een schep aarde op.

Op zaterdag paste de post weer door de brievenbus. Er ging soms een uur voorbij zonder dat de telefoon rinkelde.

Zondag zaten we weer in de kerk. Zou er nog iemand kunnen zijn die niet wist wat er de afgelopen week was gebeurd? De kerkenraad dacht van wel. Het mededelingenvel voor kerkgangers meldde die ochtend kort dat mijn broer was overleden. ‘Onze verslagenheid is groot en begrijpen kunnen we het niet,’ schreef de ouderling. ‘Wij geloven dat Wim in Gods oneindige ontferming is opgenomen en is ingegaan tot het feest van zijn Heer.’ Ik vroeg me af wie de ouderling precies bedoelde met ‘wij’. De eerste kerkdienst na de begrafenis van mijn broer begon met een lied. Het orgel zette enthousiast in: ‘Niets is hier blijvend, niets is hier blijvend, alles hoe schoon ook zal eenmaal vergaan.’

Het deed me pijn. (242-243)

Eindoordeel

Slechts één woord:

Meesterlijk.

Nee. Sta me toch nog een laatste toevoeging toe, een aanbeveling:

Lezen dat boek!

 

Emiel Hakkenes, God van de gewone mensen: Hoe het geloof uit een familie verdween. Amsterdam: Thomas Rap 2013. ISBN 9789400401570. 320 pp. Paperback, € 18,90.

, , , , , , , , , , ,

  1. #1 door Carla op 19 november 2013 - 10:20

    Beste Taede,
    Wat kan jij een mens ( mij ) enthousiasmeren zeg.
    Dat was het geval bij het boek van de Dalai Lama ( Vrij van religie ) en nu weer.

    Wanneer jezelf in het boek voorkomt ( lees: herkenning, geraakt worden) …..dan, ja dan gebeurt er iets met je.
    Ik vermoed zomaar dat dit bij jou het geval is.;-)
    Een ziel die geraakt is neemt zomaar een andere ziel mee op sleeptouw naar de boekhandel.

    Dank.

  2. #2 door Theo Smit op 20 november 2013 - 00:43

    Het zal wel Taede, woon(de) zelf dicht in de buurt van dat ‘dorp’, en jij leest zoveel meer dan ik, dus wie ben ik, maar een toegezonden boek even wat kritischer benaderen op vooral ook ‘literaire’ kwaliteit, kan geen kwaad, lijkt me, op de gegeven citaten afgaand.

    Uit de gegeven recensie kan ik weinig opmaken van de historische werkelijkheid. Impressionisme op het hart? Het echte ‘nu’ was buiten de doopvraag niet meer aan de orde? Het Gieten nu is een kleine kermis met één grote winkel (C-1000) in dat dorp nu. God was toch al eens uit een dorp uit Friesland opgestapt?

    Je onderschat jezelf intussen? Wel aan de slag blijven met het echte werk van nu, en de opgeroepen nostalgie wat onderdrukken, twittermens?

    Wim was dood, en hoe langer de begrafenisstoet in de omgeving van Gieten, hoe belangrijker het ‘economisch’ belang naar de menselijke maat het daar was voor de ‘echte’ ziel van de buren, zoals overal, of was dat juist het subtiele in het boek, dat het niet zo was? If so, in beide gevallen, niks gezegd.

    Trouwens, nu we het er toch over hebben: we hebben er ook een ‘heidense’ begraafplaats voor de natuurliefhebbers, in de gemeente Aa en Hunze (met Gieten), met een gemeentehuis waar je ook U tegen zegt. (De inmiddels dode tandarts vond het wat teveel van het goede voor het bestuur van de polis, zeker waar het de natuur aangaat.) We hebben ook nog de ‘beroemde’ wielerwedstrijd’ in de ‘cross’ onder meer langs het Zwanenmeer. U kunt er dus ook geheel modieus dood, met reclame! Van vader op vader, die tja geen vader meer was, maar moeder werd. Was dat de weg en Waarheid en het Leven om bij Trouw uit te komen?

    In een sub-dorp van Gieten heeft het plaatselijke ‘kerkelijke verenigingsgebouw’ in 2013 het loodje gelegd. Het zij zo. God verlaat Nederland op kousenvoeten, zelfs uit Drenthe, maar ja, Hij of Zij (zeker Zij) wist niet van heide en vennen toen Hij daar kwam via Coevorden?

  3. #3 door Ket op 17 december 2013 - 09:04

    Op aanraden van mijn moeder heb ik het boek gelezen. Het was een feest van herkenning voor heel veel stukken in het boek. Zowel voor mij als mijn moeder. Ik denk dat ik mijn moeder ook wat beter begrijp. En ook belangrijk het geeft stof voor gesprek.

  1. Over God gesproken – anders verdwijnt Hij | Ernst Leeftink
%d bloggers op de volgende wijze: