De uitstromende mens (column)

Ik zit naast het ziekenhuisbed en kijk naar de ingezwachtelde stomp waar ooit een onderbeen zat. In het bed ligt wat rest van mijn buurman. Hij klaagt over fantoompijn, “alsof ze met een heftruck over mijn tenen rijden en daarna de zaak met benzine overgieten en aansteken”.

Egoïstisch als ik als mens van nature ben, focussen mijn gedachten zich op mijn eigen lichaam…

Alles zit er nog aan, maar juist doordat ik de stomp bij mijn buurman zie, word ik me een moment bewust van wat ik heb, maar waar ik vaak helemaal niet bij stilsta.

Heb ik het idee dat er nu iets ontbreekt aan mijn buurman, dat hij geen “geheel” meer is? Nee, integendeel. Het klinkt ironisch en wrang, maar het is juist doordat er bij buurman een deel van zijn lichaam is weggehaald, en hij dus in bepaald opzicht iets mist, dat hij weer kan beginnen met helen. De chirurg die de amputatie heeft uitgevoerd, was een “heelmeester” in de ware betekenis van het woord.

Volslagen willekeurig moet ik denken aan het liedje van De Dijk, Als ze er niet is:

Een man weet niet wat hij mist
maar als ze er niet is
als ze er niet is
weet een man pas wat hij mist

Zoals we ons van onze lichamelijke staat van zijn pas bewust worden, wanneer iets aan ons begint te haperen, wanneer we wat mankeren, of wanneer er iets moet worden verwijderd, zo worden we ons ook vaak pas bewust wat het bestaan van anderen voor ons betekent – anderen waarmee we innig verbonden zijn, zodat ze een deel van onszelf zijn geworden – wanneer ze uit ons leven verdwijnen.

Volgens de filosofie van het liberalisme, dat ons Westerse denken in haar greep heeft, is de mens een individu, een autonoom wezen, dat zelf beslissingen neemt en het leven inricht naar eigen wil en wens.

Niets is minder waar. De mens is volslagen heteronoom, alleen zonder het zich bewust te zijn. Al vanaf het moment dat hij krijsend ter wereld komt, slaat de mens onzichtbare tentakels uit en raakt hij met die wereld verstrengeld. En laat hij in de meeste gevallen niet meer los totdat hij sterft.

Het dunne vlies dat de organen van de mens bij elkaar houdt, biedt slechts de illusie van autonomie en individualiteit. De mens is een fluïde wezen, dat zichzelf uitstroomt in de werkelijkheid en er één geheel mee vormt, zoals het water één wordt met een zuigende spons.

Volgens het liberalisme staat het individu centraal, en is de aanwezigheid van een medemens en een externe werkelijkheid bijkomstig. Maar haal die medemens en die werkelijkheid weg, en alle menselijkheid verdampt.

, , , , , ,

  1. #1 door Angela Roothaan op 27 maart 2014 - 09:53

    Mooi beschreven!

    Nu de kritische noot: mensen verlangen wél naar autonomie, zelfstandigheid, etc. Dus wat is het wél, autonomie, als het geen beschrijving is van de ontologische staat van de mens? Een manier om de veelheid van krachten in ons aan het werk te reduceren, zodat we iets van orde, van ‘handelen’ kunnen beleven?

    En wat is de waarde van dat ‘handelen’, moreel en religieus gezien? Verlangen we niet er naar omdat we een besef hebben dat het ons leven beter maakt? Kan een vergissing zijn, maar toch denken we het.

    Oftewel: waar jouw column ophoudt, beginnen voor mij alle ethische, politieke en antropologische vragen die voor mij van belang zijn.

  2. #2 door Taede Smedes op 27 maart 2014 - 10:02

    Hoi Angela,

    Kom ik volgende week uitgebreid op terug (is de bedoeling althans)…😉

  3. #3 door Ahgj op 27 maart 2014 - 10:34

    Wel wel om maar eens te beginnen met de reactie op dit stukje. Ten eerste mis ik niets O Ja een stuk been met voet. Maar voel mijn niet minder of meer ik voel mijn gewoon mens ik leef adem en zie mooie dingen. Ja ik heb wat beperkingen maar als mens ben ik rijker geworden. Ik heb meer mensen leren kennen van uit een ander standpunt. Ik heb kunnen helen, leren, kennis doorgeven en raad kunnen geven. Ook heb ik mijzelf beter leren kennen. Of ik hulp van boven heb gehad ik weet het niet een andere kans jazeker en daar ga ik van genieten voor 200%. En ik hoop nog vele met mij.

%d bloggers op de volgende wijze: