Een aanzet tot een theologie van evolutie – deel 1

Vorige week woensdag hield ik in Groningen voor het Groninger Studenten Pastoraat een lezing waarin ik een aantal aanzetten gaf tot een theologie van evolutie. De studenten vonden de lezing lastig (begrijpelijk), maar ook zodanig stimulerend dat er talloze vragen kwamen en er naderhand onder het genot van een biertje (en een watertje voor mij, aangezien ik nog twee uren moest rijden) nog druk werd nagesproken over de lezing. Ik kreeg echter ook de vraag of de tekst van de lezing beschikbaar kon worden gesteld, zodat de studenten die nog eens op hun gemak konden bestuderen. Ik heb daarop besloten om de lezing als een serie blogjes te publiceren op mijn weblog. Vandaag verschijnt de eerste aflevering, de inleiding van een serie van in totaal drie blogjes. De komende dagen zullen de overige twee afleveringen verschijnen.

I. Inleiding

Heel lang is in de Westerse beschaving een statische werkelijkheid een ideaalbeeld geweest. Op verandering werd neergekeken. Verandering impliceerde immers verval en corruptie. Wat bleef, wat niet veranderde – dat komt in onze werkelijkheid niet voor, daar was men zich uiteraard van bewust. Alles in onze aardse werkelijkheid wordt gekarakteriseerd door verandering, veroudering en verval. Wat eeuwig onveranderlijk hetzelfde bleef, werd heel lang dan ook als goddelijk gezien, als verheven boven de aardse vergankelijkheid.

Ons wereldbeeld is in de loop der eeuwen behoorlijk veranderd, en je zou zelfs kunnen zeggen: op zijn kop gezet. Was het ooit een goddelijk ideaal, nu staat statisch en onbeweeglijk gelijk aan saai en levenloos. Als een filosoof nog op de proppen komt met “essenties”, de onveranderlijke kern van ieder ding, die iets maakt tot wat het is, en waarin Plato en Aristoteles nog geloofden, dan glimlachen de meeste hedendaagse filosofen minzaam, maar nemen dat spreken feitelijk niet langer serieus. Het spreken over statische, onveranderlijke essenties behoort voor ons tot een premoderne wereld van lang geleden.

De natuurwetenschappen hebben een grote invloed gehad op die omwenteling in het denken. De natuurwetenschappen lieten namelijk zien dat onze werkelijkheid een dynamische werkelijkheid is, die gekarakteriseerd wordt door een interactie van min of meer tijdloze en onveranderlijke principes – natuurwetten – en materie die aan verandering en transformatie onderhevig is.

De evolutietheorie van Charles Darwin past heel goed bij dit idee van een dynamische, continu veranderende wereld. Waar de fysica al eerder lieten zien dat de wereld van levenloze materie een dynamische werkelijkheid is, daar beschreef Darwins evolutietheorie een analoge dynamisering van het leven op aarde. Met Darwin werd het denken over essenties volledig van de kaart geveegd.

Darwins evolutietheorie geeft een beschrijving van de ontwikkeling van het leven op aarde aan de hand van spontane mutatie en natuurlijke selectie. De combinatie van deze twee factoren zorgt ervoor dat een bijzonder gevarieerde rijkdom aan leven op aarde ontstaan is. Darwins theorie verklaart niet de zogenaamde “abiogenese”, dat wil zeggen het ontstaan van het eerste levende organisme uit anorganische materie. Maar zijn theorie verklaart wel hoe het eerste leven uiteindelijk heeft kunnen uitgroeien tot de rijkdom aan levende wezens die we vandaag de dag in de wereld aantreffen.

Darwins theorie is behoorlijk contra-intuïtief, en daarom voor veel mensen moeilijk te bevatten. Voor een deel is het verzet tegen Darwins theorie dan ook te verklaren doordat de theorie slecht begrepen wordt. Zo wordt wel eens de vraag gesteld naar de eerste mens, dus naar de overgang van mensaap naar mens. Die blijkt helemaal niet te bestaan, een eerste mens is er niet geweest, en dat gaat er bij veel mensen maar moeizaam in.

Het punt is dat de verandering van de ene soort in een andere een heel gradueel proces is. Toch moet gezegd worden dat binnen de biologie nog altijd discussies woeden over de vraag wat een “soort” is. Een alomvattende definitie is er niet. Veel biologen zijn uiteindelijk van mening dat onze soortbegrippen uiteindelijk constructies zijn en dus een zekere willekeur hebben. Onze soortbegrippen zijn classificatiesystemen, bedoeld om wetenschappers handvaten te geven om de data te begrijpen.

De manier waarop wij over soorten denken en spreken, heeft vaak nog altijd iets “essentialistisch” over zich. Als we over een “paard” spreken, dan denken we toch nog altijd dat er iets “paard-achtigs” is dat alle wezens die we onder de soort “paard” scharen gemeenschappelijk hebben. Alsof er dus een essentie is van het “paard-zijn”, dat de soort “paarden” afscheidt van alle “niet-paardachtige” organismen.

Datzelfde idee hebben we dus ook als we het over de mens hebben. We denken dan dat er een essentie is van het menszijn, iets dat ons afscheidt van de rest van de planten en dieren. Maar wie Darwins evolutietheorie serieus neemt, die zal moeten erkennen dat het zo eenvoudig niet ligt. Binnen het biologische kader van de evolutietheorie wordt de mens als een dier geclassificeerd, als een zoogdier, en als zodanig gezien als een familielid van de uitgebreide familie van alle levende wezens. Alle leven is aan elkaar verwant, alle leven deelt een geschiedenis.

Maar strikt gesproken moet die geschiedenis van het leven op aarde worden beschouwd als ingebed in de geschiedenis van het heelal als geheel. Dat wordt vaak vergeten, maar ik zal dit in het vervolg keer op keer benadrukken, omdat het een bron van verwondering is. Het is de evolutie van het heelal die verklaart hoe de condities van ons kleine plekje kosmos zodanig kon zijn, dat er op onze planeet leven kon gedijen. De geschiedenis van het leven op aarde ligt dus geheel in het verlengde van de 13,7 miljard jaren geschiedenis van de kosmos als geheel.

Dit alles klinkt buitengewoon indrukwekkend – en dat is het ook – maar het roept wel de vraag op: wat hebben al die wetenschappelijke inzichten voor invloed gehad op het denken over God en wereld? Niet alleen is het zo dat een godsbeeld verandert doorheen het leven van een individuele gelovige (de meeste volwassenen hebben als het goed is afscheid genomen van de godsbeelden uit hun kindertijd). Maar ook is het zo dat het godsbeeld in een cultuur verandert wanneer het wereldbeeld verandert. Zo is het altijd geweest en zo zal het ook altijd blijven, en dat is maar goed ook, want wil een godsbeeld relevant blijven voor gelovigen, dan zal het aansluiting moeten weten te vinden met de ziel van de cultuur.

Dit betekent dus ook dat discussies over “geloof en wetenschap” buitengewoon belangrijk zijn, met name omdat wetenschap een van de belangrijkste cultuurvormende factoren in onze Westerse samenleving is. Dus ook de vormende invloed van de natuurwetenschappen op een cultuur zorgen ervoor dat een godsbeeld verandert. Derhalve behoort in mijn ogen nadenken over “geloof en wetenschap” tot het hart van de theologie. Dat theologie zo langzamerhand irrelevant aan het worden is, heeft er in mijn ogen dan ook mee te maken dat theologen het interdisciplinaire gesprek te lang uit de weg zijn gegaan en de aansluiting ermee hebben gemist. Helaas, want nu lijkt het jammerlijk te laat en dreigt theologie in de obscuriteit te belanden.

Theologie kan in ieder geval in mijn ogen niet meer om de evolutietheorie heen. Weliswaar is de evolutietheorie geen “feit”, want hoe kan een theorie een feit zijn? Een theorie probeert feiten te duiden in een alomvattend raamwerk, maar is zelf geen feit. Maar evolutie als verschijnsel – het verschijnsel dat alle leven op aarde zich ontwikkelt, aan elkaar verwant is, een hele geschiedenis deelt – is wel degelijk een feit. De evolutietheorie zal in de toekomst ongetwijfeld op veel onderdelen herzien worden, maar het basisfeit – dat alle leven uit een gemeenschappelijke bron is ontstaan en zich via natuurlijke mechanismen ontwikkeld heeft tot de schier oneindige variatie aan leven – dat zal blijven. De aanwijzingen dat dit basisfeit onomstotelijk vaststaat, zijn afkomstig uit zoveel afzonderlijk van elkaar opererende wetenschappen, dat hier van een cumulatief argument sprake is. Alleen door moedwillig je ogen te sluiten, kun je dit argument nog negeren.

Theologie verzet zich dan ook niet meer tegen de evolutietheorie. Veruit de meeste theologen, zowel protestantse als katholieke, zijn het erover eens dat evolutie als verschijnsel een feit is. Wat echter de consequenties zijn van dit feit voor de theologie, daarover verschillen de meningen nog. In wat volgt, wil ik aan die discussie een bescheiden bijdrage leveren.

De grote theologische discussies draaien om kwesties als de relatie tussen God en wereld, het mensbeeld, en het probleem van het kwaad. Dat laatste probleem – het kwaad – zal ik vanwege de complexiteit in wat volgt achterwege laten. In wat volgt, zal ik me in het bijzonder richten op twee punten: (1) het godsbeeld, en dan met name de manier waarop God en evolutie met elkaar kunnen worden verbonden, en (2) evolutie en het mensbeeld, en dan met name de wijze waarop dit raakt aan discussies omtrent de christologie. Mijn doel is om te laten zien hoe de evolutietheorie geen bedreiging vormt voor de christelijke theologie, maar juist een uitdaging die vruchtbaar omgezet kan worden in een inspiratie tot een nieuwe manier van theologiseren.

Ik ga dus ook niet in op discussies over creationisme en intelligent design, die een godsbeeld hanteren dat volstrekt incompatibel is met de evolutietheorie. Creationisme en intelligent design zijn de belangrijkste conflictmodellen, die dus evolutie en christelijk geloof als volstrekt tegengesteld achten. Maar het zijn ook achterhoedegevechten. Ik neem ze niet serieus als gesprekspartners.[i]

Theologen doen er beter aan om constructief te proberen het godsbeeld en de evolutietheorie met elkaar in gesprek te brengen. Daar gaat het in het volgende deel over. Vervolgens wil ik kijken naar de manier waarop de evolutietheorie het denken over ons mensbeeld en daarmee het denken over erfzonde en de christologie beïnvloedt. De weg die ik in deze korte serie bewandel, is een weg die loopt van het denken over God naar het denken over de mens, en ten slotte wordt nog eens de nadruk legt op de samenhang van alles.

Ik geef toe dat ik daarbij tamelijk grofmazig te werk ga. Ik vat slechts in hele grote lijnen en soms wat ongenuanceerd samen wat doorheen de vorige eeuwen door talloze denkers minutieus is uitgeplozen en genuanceerd beargumenteerd, en wat eigenlijk tot in details uitgespeld zou moeten worden. Wat ik dan ook wil doen, is slechts een aanzet geven tot verdere, verdiepende reflectie. Een aanzet dus tot een theologie van evolutie.

Lees HIER verder in deel 2.


[i] Mijn redenen om creationisme en intelligent design af te wijzen zijn voornamelijk theologisch van aard. Ze zijn terug te vinden in mijn God en de menselijke maat: Gods handelen en het natuurwetenschappelijke wereldbeeld (Zoetermeer: Meinema 2006) en God én Darwin: Geloof kan niet om evolutie heen (Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2009).

 

, , , , , , , ,

  1. #1 door Jan op 17 juni 2014 - 12:23

    Ik houd het toch maar liever bij het emanationisme de werking van swabhava dat in zijn uiterlijke manifestatie in de zintuiglijke fenomenale wereld zich ontpopt als de halve waarheid van het neodarwinisme.

    Dat is ook de aantrekkelijkheid van het darwinisme: er zit een kern van waarheid in. En zoals bekend, een halve waarheid is erger dan een hele leugen. Bij een leugen doorzie je eenvoudiger en sneller dat het niet klopt.

    De waarheid in het darwinisme is dat evolutie in de letterlijke betekenis “het zich ontrollen” is. Het tot aanzijn brengen van wat in essentie IS. Dat kan je waarnemen met je zintuigen en de wetenschap. De niet-waarheid in het darwinisme is het veronderstellen van het blinde toeval en het ontkennen van een leidende essentie. Die essentie is dan de leidende vormende eenheid (of monade) Het goddelijke primordiale punt van energie, materie en informatie.

    citaat: ” “essenties”, de onveranderlijke kern van ieder ding, die iets maakt tot wat het is, en waarin Plato en Aristoteles nog geloofden, dan glimlachen de meeste hedendaagse filosofen minzaam, maar nemen dat spreken feitelijk niet langer serieus.”

    Obscurantie en arrogantie van de hedendaagse filosofen? Ziet men niet in dat men de verlichting overschat? Komt men met het olielampje van het lichtende verstand de markt oprennen bij de opgaande zon van de essentie van het licht? God is dood mensen. Gedood door de westerse materialistische filosofen en mono-abstract-theïsten en kruisingen van die twee.

    Jammer dan voor de meeste hedendaagse filosofen zo minzaam lachen om die essentie. Ieder mens kan, als hij er voor openstaat, in zichzelf het eeuwige als essentie ervaren. Die ervaring van de ervaarder zelve, de stille getuige, die niet aan verandering onderhevig is. Het niet veranderlijke: datgene wat hetzelfde is bij de mens in zijn vroege jeugd en gedurende zijn hele leven tot zijn laatste ademtocht. Streep alles weg wat veranderlijk is, lichaam emoties, voelen, denken, identiteit en wat er over blijft is de essentie. De goddelijkheid van de natuur: god is dood en Darwin ook. Mens ken uzelve terwijl u leeft.

  2. #2 door Feike ter Velde op 17 juni 2014 - 12:24

    U hebt veel woorden nodig om te zeggen dat uw evolutie-geloof niet past bij het bijbelse godsbeeld van veel christenen. Dat is eerlijk en ook juist. Uw godsbeeld is het denkbeeld van veel theologen. Een denkbeeld dus en niet de God die zichzelf heeft geopenbaard. Uw “gesloten wereldbeeld” – de schepping schiep zichzelf – leidt uiteindelijk tot atheïsme. Misschien bent u daar al aangeland.

  3. #3 door Jan op 17 juni 2014 - 13:04

    @Feike
    Correctie, niet atheïsme maar een soort pantheïsme: dat is dus zonder gods’beeld’. Natuur=god.

  4. #4 door Taede Smedes op 17 juni 2014 - 13:28

    Geachte heer Ter Velde,

    Reageert u op mijn blog, of op de opmerkingen van Jan?

  5. #5 door nand braam op 17 juni 2014 - 13:50

    “Dat laatste probleem – het kwaad – zal ik vanwege de complexiteit in wat volgt achterwege laten. In wat volgt, zal ik me in het bijzonder richten op twee punten: (1) het godsbeeld, en dan met name de manier waarop God en evolutie met elkaar kunnen worden verbonden, en (2) evolutie en het mensbeeld, en dan met name de wijze waarop dit raakt aan discussies omtrent de christologie.”

    En dan ben ik benieuwd hoe Jan Riemersma zal reageren op Taede’s manier waarop God en evolutie met elkaar kunnen worden verbonden. Volgens JR moet men God en de evolutie absoluut van elkaar scheiden. Ik wacht geduldig af.

  6. #6 door HansH op 17 juni 2014 - 18:12

    Is ceationsme echt een achterhoedegevecht? Hoe verhoudt die opmerking zich tot de post van Rene Fransen in Geloof en Wetenschap waarin hij wijst op een analyse van Deborah Haarsa dat de steun voor het creationisme in de US al 30 jaar constant is? Moeten we er geen rekening mee houden dat dit een “soort” is binnen de familie van Chirstelijke geloven die in de evolutie van dat christelijk geloof een blijvertje zal ziijn?

  7. #7 door Taede Smedes op 17 juni 2014 - 21:23

    HansH,

    Creationisme is theologisch een achterhoedegevecht, in die zin dat de (academisch geschoolde) theologie het creationisme al lang voorbij is. Sociologisch kun je zeggen dat creationisten en andere fundamentalisten er altijd zullen blijven. Maar het is een minderheid (ook in de VS, ofschoon een mondige minderheid), en theologisch doen ze helemaal niet mee (vandaar ook eigen clubjes oprichten, etc.).

  8. #8 door Taede Smedes op 17 juni 2014 - 21:27

    Jan,

    Ik kan met dit gedoe over emanationisme en “swabhava” (nog nooit van gehoord, en ook niet geïnteresseerd) niet zoveel. Waar haal je dit soort “wijsheid” vandaan? En wat wil je precies met je bijdrage zeggen? Wat voor discussie probeer je uit te lokken? Of is het alleen de bedoeling om een ei te leggen?

  9. #9 door Jan op 17 juni 2014 - 23:50

    Taede,

    Sorry voor de spelfout, het moest zijn: Svabhava: http://en.wikipedia.org/wiki/Svabhava
    Dit soort “wijsheid” haal ik o.a. uit het Hindoeïsme, het Boeddhisme, het Taoïsme en het Gnosticisme. Ik wordt daardoor aangeraakt en ontroerd. Ik probeer geen discussie uit te lokken, ik prefereer een dialoog. Dus het naast elkaar leggen van verschillende zienswijze om samen wijzer te worden, geen gelijkhebberij. Het is niet de bedoeling een “ei” te leggen. Het is veeleer de bedoeling om (wat ik vind) diepe wijsheden te presenteren waar men (mijns inziens) een betere wereld door krijgt, dan het monotheïsme of de materialistische wetenschap. Wijsheden uit het toppunt van oude culturen waar de westerse filosofie en theologie (volgens mij) nog lang niet aan toe zijn.

    Ik ben dus een filosofisch idealist en vind de argumentatie daarvoor te prefereren boven de argumentatie van het filosofisch materialisme (en het daarbij horende huidig paradigma van de wetenschap o.a. het darwinisme). Ik meen te zien dat de moderne fysica begint te ontdekken dat het materialistisch uitgangspunt niet meer valide is. De “maya”, illusie van het Hindoeïsme komt om de hoek kijken met ideeën over het holografisch heelal en non-lokaliteit.

    Je ziet toch dat er films gretig aftrek vinden zoals The Matrix, The Trueman Story (met Christof in de hemel!), of The Groundhog day, In de ban van de ring, Harry Potter, Startrek. De spirituele café’s over engelen trekken volle zalen. Deze cultuur neemt de religieus-gevoelsmatige behoefte van mensen serieus, maar de kerken lopen leeg. De theologie zit op een verkeert spoor, zoals Nietzsche zo goed heeft gezien.

    Omdat het onderwerp nu theologie en evolutie is meende ik me met mijn “gedoe” aan te moeten komen, juist omdat die vanuit de geestelijke essentie daarover iets zinnigs te zeggen heeft. De aanleiding is je opmerking over Plato, “essentie” en dynamiek.

    Maar ik merk uit de connotatie van je schrijven en het overduidelijk: “ook niet geïnteresseerd” dat je niet open staat voor andere ideeën. Jammer, dan houdt het op. Bedenk, wat voor jou “gedoe” is, voor mij “heilig” is. Ik hoopte dat je waardig was die (“gedoe”)-wijsheid naast je eigen overtuiging te leggen.

    met oprechte vriendelijke groet van Jan.

  10. #10 door Taede Smedes op 18 juni 2014 - 08:38

    Jan,

    Jij stelt dat ik niet open sta voor andere ideeën. Als je mijn blog hebt bijgehouden, weet je dat die constatering absoluut niet klopt. Ik ben wel wars van dogmatisch verkondigen van waarheden, zoals dat Nietzsche gelijk heeft en “de theologie” (en ook impliciet de mijne, zoals je vorige opmerking getuigt) op een verkeerd spoor zou zitten – en dat alles geponeerd zonder enige argumentatie. Dergelijke dogmatische uitingen komen namelijk heel dicht in de buurt bij wat de nieuwe atheïsten doen en wat creationisten doen, ook al komt het dan bij jou uit een geloofsovertuiging voort. Het was dus niet mijn bedoeling om je geloof aan te vallen, maar ik probeer via mijn blog een gesprek op gang te brengen. Als jij al zegt dat God dood is, dat de theologie op een verkeerd spoor zit, etc., terwijl ik op dit blog probeer het tegendeel te laten zien, tsja, dan houdt het voor mij wel een beetje op.

  11. #11 door Jan op 18 juni 2014 - 10:13

    Taede,

    Mijn welgemeende excuses voor mijn ongenuanceerde woorden. God is dood, is de uitspraak van Nietzsche. Die haalde ik aan in relatie tot zijn schrijven in “de vrolijke wetenschap”, waar de “dolle man” de markt op komt rennen met een lampje bij zonsopgang. Hij schreeuwt: “De mensen hebben de zon losgemaakt van de wereld”: de mensen hebben god “dood verklaard”. Mijn interpretatie van zijn schrijven is, dat de westerse mens na het tijdperk van de verlichting zijn denken als goddelijk ziet (het licht van het lampje) en het goddelijke (de zon) in de natuur ontkent. Een soort van hoogmoed. Het is dus niet letterlijk dat ik bedoel “god is dood”. Ik zei het wat ongenuanceerd en te snel door de bocht. In mijn reactie daarna, zei ik ook over mezelf: niet atheïstisch, maar een soort pantheïsme.

    Ik meen, met Nietzsche, dat de mono-theïstische theologie op een verkeerd spoor zit. Dat is niet een aanval op de theologen zelf. De term “logie” in het woord theologie vind ik een verwijzing naar het tijdgebonden brein-denken los van de goddelijke intuïtie. Goed omschreven als het verschil tussen nous en dianoia op http://www.noetischwetenschappelijkinitiatief.nl/Noetisch.html De verbinding van theos en logica vind ik daarom vreemd: Theos is onkenbaar voor het verstand. In analogie: de robot kan zijn ontwerper niet kennen omdat hij een uitvloeisel is van zijn ontwerper. Anders gezegd: iets wat lager in hiërarchie is, kan zich geen voorstelling maken van iets dat hoger in hiërarchie is. Hiërarchie, daar gaat het om. Het denken, dat ik zie als een nieuw verworven zintuig om gedachten mee waar te nemen, (uit het boeddhisme) kan zijn oorsprong (Theos) niet kennen. Net zoals het “zien” het “denken” niet kan ervaren. Zoals een aardworm het “zien” niet kan ervaren. We leven in een zintuiglijke illusie: het maaksel van de koning der demonen Maya (Hindoeïsme)

    Tenzij men openstaat voor “nous”: het zintuig opent voor tijdloze wijsheid. Ofwel de “hogere” Sophia uit het gnostisch denken in plaats van de “lagere” Sophia die de demiurg, de wereldbouwer, deed ontstaan. Het openstaan voor nous kan via symboliek, mythen en sprookjes die tot het hart spreken: het hogere kenvermogen, het hart.

    Je begrijpt wel waarom ik deze zienswijze naar voren breng bij het onderwerp; theologie en evolutie. Mijn zienswijze is “emanatie vanuit de monade”, dus immanentie. Dit in plaats van een losgemaakte transcendente god van een causale zielloze wereld.

    Nogmaals excuses, en ik weet van mijzelf dat ik dogmatische kantjes heb. Daar doe ik wat tegen.

    groet van Jan

  12. #12 door Trouwe Lezeres op 18 juni 2014 - 11:59

    Jan, dank je zeer dat je dit zo helder onder woorden hebt gebracht!

    Je zegt: ‘Het openstaan voor nous kan via symboliek, mythen en sprookjes die tot het hart spreken: het hogere kenvermogen, het hart.’
    Hier wil ik graag nog iets aan toevoegen: er is ook het kennen via een religieuze of mystieke ervaring en er is het kennen via rechtstreeks innerlijk weten. Dat rechtstreekse, directe innerlijk weten kan zich trouwens op allerlei terreinen en in allerlei situaties voordoen.

  13. #13 door Jan op 18 juni 2014 - 12:23

    Trouwe Lezeres.

    Dank voor je reactie. Je hebt gelijk. Een religieuze of mystieke ervaring, dat is het direct innerlijk weten: de gnosis. Ik bedoelde met symboliek, sprookjes en mythen ervaren; jezelf “rijp” maken voor dat licht van die onzienbare Zon.

    Je kan dan beter het flakkerende vlammetje van het denken uitzetten, het roet van het lampglas schoonmaken en ingaan in de duisternis van de stilte: ademloos de mythen aanschouwen. Dan kan van-zelf de Zon opkomen. Want de Zon die schijnt in ieders hart is synoniem met de Zon buiten ons. Met onze ogen zien we alleen zijn lichaam van stoffelijk licht: de natuur leeft.

    groet van Jan.

  14. #14 door egbert op 18 juni 2014 - 13:05

    Trouwe Lezeres je schrijft: Er is ook het kennen via een religieuze of mystieke ervaring en er is het kennen via rechtstreeks innerlijk weten.

    Hoe overweldigend die ervaringen ook mogen zin, hoe betrouwbaar is dat innerlijk weten nu in feite, het blijft toch een subjectieve aangelegenheid en onderzoeken kun je het al helemaal niet, je eigen ervaring dan kritisch gaan evalueren?, ik heb ooit toen ik jong was ooit eens een keer psychedelica geslikt en toen had ik ook werkelijk op alle mogelijk denkbare vragen een antwoord.

    Je bent en blijft nu eenmaal gebonden aan de chemie van je brein, daarvan kun je je niet losmaken en dat bewuste brein kan hele bizarre streken met je uithalen.🙂

  15. #15 door Taede Smedes op 18 juni 2014 - 13:22

    Jan, Trouwe Lezeres, Egbert,

    Ik zou jullie willen verzoeken de discussie on topic te houden, dus gerelateerd aan de betreffende blogbijdrage.

  16. #16 door Biofides op 22 augustus 2014 - 22:32

    Beste Taede,

    Hier een aantal opmerkingen bij je eerste deel ‘theologie van evolutie’. Beschouw het als een praatpapier, het is geen academische verhandeling. Natuurlijk ben ik benieuwd naar je reactie.

    1. De tegenstelling statisch-dynamisch wereldbeeld die vaak opgeroepen wordt, tussen het oude wereldbeeld van de onveranderlijke dingen en het nieuwe evolutionaire wereldbeeld sinds Darwin, lijkt me soms wat overtrokken. De evolutie van leven is al door Griekse filosofen voorgesteld en de interpretatie van Genesis 1 en 2 was voor Darwin niet in de eerste plaats gericht op de vraag of de wereld statisch of dynamisch was, maar op de vraag hoe we het bestaan uiteindelijk zouden moeten begrijpen, namelijk als geschapen door een God die goed is en zag dat het goed was, een God ook die de mens van zijn slechtheid, zijn zonde, wilde redden en eeuwig heil voor hem in het verschiet heeft. De natuurwetenschappelijke vragen van sinds Darwin stonden voor zover ik weet totaal niet in het middelpunt van de aandacht en zijn pas meer in de aandacht kolen te staan toen Albert de Grote en Thomas van Aquino Aristoteles op een geloofwaardige manier met de christelijke godsdienst verzoend hadden. Er was voor de evolutietheorie van Darwin niet zoiets als een debat tussen aanhangers van een statisch wereldbeeld en aanhangers van een dynamisch wereldbeeld: men had tot de ontdekking van de fossielen, de primitieve waarneming van onveranderlijkheid van soorten, omdat men nu eenmaal niet de waarneming had van veranderingen bij soorten. DE bijbel sprak van schepping ‘soort naar soort’, wat vooral wilde zeggen dat uiteindelijk God verantwoordelijk is voor het bestaan van de ‘blo-diversiteit’. Of dat door individuele scheppingsdaden van God, danwel door een geleidelijk en evolutionair proces soortvorming zou gebeuren is in Genesis 1 niet aan de orde. De vraag was (is en blijft) of God de schepper van dat alles is, niet hoe Hij dat gedaan heeft.

    2. We moeten de filosofie ok niet verwarren met de natuurwetenschap: ‘essenties’ bevinden zich meer op een metafysisch niveau, soortvorming is een biologisch vraagstuk.

    3. De vraag of er ooit een ‘eerste mens’ is geweest lijkt me toch nog steeds aan de orde, indien je spreekt van een eerste biologisch wezen dat een vrije wil heeft en verantwoordelijk gehouden kan worden. Er is wel degelijk sprake van een ontologisch (wezenlijk) verschil tussen mens en dier. Dat sluit biologische evolutie van de mens uit eerdere hoge primaten niet uit. De vraag is welke ‘primaten’ voor het eerst ‘ik’ zeggen (of denken) konden (dus ‘persoon’ waren) en God konden kennen (bidden, openbaring ontvangen, etc). En hoe deze ‘nieuwe eigenschappen‘ konden ontstaan in een populatie die die eigenschappen (ook geestelijke) niet hadden. Overigens geldt dezelfde vraag voor nieuwe eigenschappen die eerder in de evolutionaire geschiedenis ‘opdoken’, zoals de geslachtelijke voortplanting, het camera-oog, en nog zoveel meer eigenschappen. De vraag is of evolutie dus naturalistisch helemaal te verklaren is of dat we toch een ‘guiding hand‘ moeten aannemen die het proces zijn richting gegeven heeft, nieuwe eigenschappen heeft doen ontstaan met als mogelijk meest bijzondere: het zelfbewustzijn en de persoonlijke vrijheid van de mens en zijn vermogen om God te kennen. Dat neemt niet weg dat hij zuiver biologisch een primaat is en blijft, een zoogdier, een biologisch wezen. Maar kan de biologie de gehele werkelijkheid beschrijven? Ik denk het niet. Dat geldt niet alleen voor de mens maar ook voor -, bijvoorbeeld – het bestaan van DNA, het bestaan van leven überhaupt. Dat geldt zelfs voor de fysica: het bestaan van het element koolstof, het periodiek systeem der elementen: de fysica beschrijft het maar verklaart niet hoe het kan dat het bestaat en waaraan het z’n ordening ontleent, noch waar de natuurwetmatigheid vandaan komt. Ik vermoed dat we toch een plaats aan de metafysica moeten laten om de werkelijkheid helemaal te begrijpen.

    4. Dat godsbeelden bij mensen en culturen aan verandering onderhevig zijn wil ik wel aannemen maar theologisch is niet het godsbeeld maar de waarheid omtrent God die er toe doet. Dus niet de vraag hoe wij God zien maar hoe/wie God is. De theologie bestudeert de zelf-openbaring van God in de natuurlijke orde en in de geschiedenis van de mensheid, als ook het wezen van de natuurlijke orde, de mens, het probleem van het kwaad, de verlossing daarvan en het heil, op aarde en in een hiernamaals bij God. Onze bronnen zijn de als ‘geïnspireerd’ beschouwde geschriften van de joods-christelijke traditie, verzameld in een canon die we de bijbel zijn gaan noemen, niet zonder de traditie van geloven en denken waarbinnen de bijbel is ontstaan (dus geen ‘sola scriptura’ maar ook de kerkelijke traditie ‘daaromheen’ (waaronder de interpretatie van die geïnspireerde teksten). Ons godsbeeld is – indien God bestaat, los van de mens – van ondergeschikt belang maar niet zonder belang, al loopt deze het risico te subjectief te zijn, van persoon tot persoon en van cultuur tot cultuur verschillend. Als je niet uitkijkt eindig je na talloze godsbeelden met talloze ‘goden’ en dat druist in tegen elke vorm van monotheïsme. Dat neemt niet weg dat ons ‘godsverstaan’, onze interpretatie van de ‘Openbaring’ zinloos wordt als deze niet aansluit bij onze ‘ziel’ en, ‘de ziel van de cultuur’. Ik ben daar niet pessimistisch over, omdat ik denk dat het al lang aangetoond is dat de christelijke godsdienst in staat is zichzelf overtuigend aan te bieden aan mensen van alle slag, alle tijden en culturen. God is door zin boodschap heen in staat gebleken die ‘zielen’ (van personen en culturen) te ‘raken’: don’t worry. De zorg die we zouden moeten hebben is of personen en culturen zich voor die éne God, die op de een of andere manier toch de ‘eerste oorzaal’ of ‘schepper’ van hemel en aard is, toe te laten in onze leven en in onze culturen.

    5. Daarmee ben ik het volledig met je eens dat het geloof niet langs de wetenschap heen kan, in onze tijd en cultuur. Ik maak me daar ook geen zorgen over want tenminste de katholieke traditie heeft in feite nooit een probleem met de wetenschap gehad, sterker nog: zij heeft de wetenschap zowat doen ontstaan (Albert de Grote, Thomas van Aqiuno, de kathedraalscholen die universiteiten werden, etc.). De theologie en de wetenschap gelden althans in de katholieke traditie als twee vleugels waarmee de menselijke geest naar de waarheid vliegt (vrij naar Thomas en naar Johannes Paulus II). Wat ons interesseert is wat waar is, of het nu om biologische of om theologische waarheid gaat. Indien de theologie zich van beelden gebruikt die blijken natuurwetenschappelijk niet verdedigbaar te zijn (zoals de psalmist die zegt dat de aarde vast zou zijn en de zon eromheen draait), dan moet de theologie zich achter het oor krabben om te bedenken dat dat slechts beeldspraak was, gebaseerd op de kosmologische kennis van de tijd van de bijbelse auteurs; indien de theologie spreekt van de schepping van de planten en de dieren ‘soort na soort‘ en daarbij zou aannemen dat het om directe scheppingsdaden van God gaat, maar de biologie ontdekt dat soorten uit elkaar ontstaan zijn, dan moet de theologie zich opnieuw bezinnen en zeggen: dat bedoelden we niet zo letterlijk, zo ‘mechanisch‘ (of we hebben dat bijbelvers te simplistisch opgevat). Daarmee verrijkt en verdiept, ja, zuivert de theologie zich, dank zij de wetenschap. Omgekeerd kan de wetenschap zich door de theologie laten zuiveren van al te grootse aanspraken zoals dat de wetenschap ‘alles‘ kan verklaren. Dat is grootheidswaanzin die gemakkelijk onderuit te halen is: de wetenschap kan bijvoorbeeld niet zomaar de zin van het keven verklaren, die mensen toch zoeken en ook blijken te vinden. Wetenschap heeft dus de theologie nodig om haar plaats en aar beperkingen te kennen. Theologie en wetenschap moeten dus met elkaar in dialoog zijn en inderdaad moet de theologie de wetenschap serieus nemen om zichzelf niet belachelijk te maken en in de obscuriteit teruggedreven te worden.

    6. De evolutietheorie kan in zeker zin toch wel een beetje een ‘feit genoemd worden, als je onder ‘theorie‘ een ‘wetenschappelijke theorie’ verstaat, niet ‘zomaar een theorie‘, uit de duim gezogen. De natuurwetenschappelijke methode vertrekt vanuit waarnemingen, stelt hypothesen op om de werkelijkheid van de natuur te begrijpen, toetst deze naar de mate van het mogelijke (maar onderzoekt de argumentaties ook op plausibiliteit en zo) en komt zo tot een behoorlijk zeker beeld, dat altijd nog verfijnd, gecorrigeerd, aangevuld kan worden. Dat is wat de wetenschap een ‘theorie‘ noemt. Een wetenschappelijke theorie heeft dus al veel zekerheid in zich en is dus al haast een feit. Om die reden ging Johannes Paulus II ertoe over de evolutietheorie tot ‘meer dan een hypothese‘ te verheffen, waar Pius XII het nog over een hypothese had. Benedictus XVI onderscheidde dan nog sterk het ‘feit‘ van de evolutie van het leven en het ‘mechanisme’. De grote discussie gaat niet over de vraag of er biologisch evolutie heeft plaats gevonden maar hoe evolutie werkt. Darwin heeft daar het startschot voor gegeven, maar na Darwin is daar nog veel bijgekomen: de genetica, de moleculaire evolutiebiologie, de epigenetica (evo-devo) en nog meer. Sommigen denken dat we in de loop van deze eeuw het mechanisme van biologische evolutie pas zullen gaan begrijpen, wetenschappelijk gezien. Dan blijft het een ‘wonder‘ dat er zo’n mechanisme bestaat en dat het werkt. Die verwondering opent onze geest voor de metafysica, en doet ons mogelijk besluiten: dit is uiteindelijk her werk van God.

    7. Goed dat je je onderwerp wat inperkt. Eén bemerking bij ‘intelligent design’. Indien je daarmee bedoelt: de beweging die het een soort ‘god van de gaten‘ de ‘irreduceble complexity‘ wil verklaren, wetenschappelijk wil ‘bewijzen’ dat het leven intelligent ontworpen is, dan ben ik blij dat je ze buiten de discussie houdt. Indien je echter de gehele notie van ‘intelligent ontwerp verwerpt, denk ik dat je in theologische problemen komt, bijvoorbeeld met de ‘wijsheid‘ waarmee God alles geschapen heeft (Ps 104). In het katholieke denken over evolutie en schepping is intelligent ontwerp als filosofie notie onmisbaar. Maar in diezelfde denkwijze is het willen bewijzen van ID even fout als het willen ‘bewijzen’, wetenschappelijk, dat God bestaat.

    Tot zover. Ik wacht even je reactie af tot ik met deel twee begin.
    Hartelijke groet, Vincent Kemme, http://www.biofides.eu

%d bloggers op de volgende wijze: