Schrijven als uitdrukking aan een verlangen naar de Eeuwigheid. Een essay.

Al van kindsaf aan heb ik ervan gedroomd om een schrijver te zijn. Ik herinner me nog die ene vakantie in het Zwarte Woud. Ik moet toen een jaar of tien, twaalf geweest zijn. Het was buiten bloedheet, je kon een ei bakken op het dak van de auto. Buiten speelden kinderen, maar ik zat binnen in ons vakantieappartement en schreef in een paar dagen tijd een aantal schoolschriften helemaal vol. Het was een heuse sciencefiction roman vol spannende avonturen, met een woest-gespierde ruimteheld die een aantrekkelijke dame moest redden van allerlei rampen, van computerstoringen tot op bloed beluste aliens…

Later, op de middelbare school, werd het nog een graadje erger. Ik was een watje, een echte nerd. Aan sport deed ik niet, en indruk op de meisjes maken kon ik niet. Maar gaandeweg de middelbare school merkte ik dat ik kon schrijven. Ieder mooi meisje dat ik tegenkwam, werd mijn muze en zorgde dat de letters vanzelf over het papier stroomden. Het waren romantische verhalen die ik later uittypte – al op de middelbare school haalde ik mijn typistendiploma op zo’n mechanische typemachine, hoewel ik thuis oefende op een elektrische – een computer hadden toen nog slechts weinigen – en die ik dan op een of andere manier, soms via vriendjes, soms deed ik het zelf, bij het meisje in kwestie bezorgde. In de hoop natuurlijk dat ze zouden zien wat voor gevoelige ziel ik was. Want die verhalen moesten een deel van mij tonen dat je aan de buitenkant niet zo gemakkelijk af kon zien.

Werkte het? Natuurlijk niet. Maar het heeft er wel voor gezorgd dat ik een ontzettend leuke middelbareschooltijd heb gehad. Mijn leraar Nederlands, Ed Krol (de broer van schrijver Gerrit Krol) sprak bij mijn examenuitreiking, toen ik de hoogste score voor het vak Nederlands dat jaar had gehaald, de hoop uit dat ik ooit een gevierd schrijver zou worden. Ik kan niet zeggen of hij gelijk heeft gekregen. Want wanneer weet je als schrijver dat je gevierd bent?

Ik ben niet de enige met een onstuitbare schrijfdrang. In maart 2012 deed NRC-Next een klein onderzoekje waaruit bleek dat Nederland maar liefst ruim een miljoen wannabe schrijvers telt. De meeste schrijvers zullen uiteindelijk niet veel verder komen dan een manuscript in een la, of met een in eigen beheer uitgegeven boek, of met een volgetikte weblog. Maar de wil tot schrijven lijkt massaal aanwezig.

Wat beweegt iemand ertoe om te gaan schrijven? Ik vermoed dat iedere schrijver een eigen motivatie zal geven. Schrijven is voor de één een middel om expressie te geven aan creativiteit of gevoelens. Zoals sommigen raadselachtige leuzen met graffity op een obscuur muurtje spuiten, schilderen anderen stillevens op linnen en schrijven weer anderen memoires, verhalen, of een roman. Het resultaat blijft meestal binnen de familiekring, het vergt moed om de verlegenheid om de eigen zielenroerselen met een breder publiek te delen te overwinnen.

Toch zijn er ook genoeg mensen – dus ruim een miljoen in 2012, ondertussen zal wellicht dat aantal nog gestegen zijn – die wél hun breinkinderen in druk een bestseller zouden willen zien worden. Wat beweegt hen? Zit er onder iedere motivatie wellicht ook iets van een hang naar onsterfelijkheid?

Zo heel gek is dat laatste niet. Want wat doe je eigenlijk als je een tekst schrijft? Allereerst is schrijven een voorschot nemen op de toekomst. Als ik deze tekst, die ik nu zit te schrijven, eenmaal heb geschreven, gooi ik die als het ware de toekomst in, omdat ik hoop dat dit essay ooit gelezen zal worden. Uiteraard is dat een gok. De toekomst zal leren welke teksten gelezen en bewaard zullen worden en welke – het merendeel – ongelezen en vergeten.

Tegelijkertijd is iedere tekst ook gestold verleden, gefixeerde tijd. Als dit essay eenmaal geschreven is en in de krant of op mijn weblog verschijnt, is aan het zicht onttrokken hoeveel tijd het schrijven ervan heeft gekost. En hoeveel ziel en zaligheid de auteur van zichzelf erin heeft gelegd. Bij boeken gaat het soms om jaren van iemands leven.

Met andere woorden: in een tekst komen toekomst en verleden samen. Dat gebeurt in het hier-en-nu waarin jij, lezer, dit essay leest, nu, op dit moment. Dat jij deze tekst leest, is voor mij, op het moment dat ik de tekst zit te schrijven, nog toekomst. Ik weet niet welke ogen over deze woorden zullen glijden en wie de ideeën die ik hier opschrijf zullen opnemen en overdenken. Maar terwijl jij deze tekst leest, is de tekst al voltooid tegenwoordige tijd, dus geschreven. Ik zit op dit moment nog in het schrijfproces. Jij leest deze tekst nu, terwijl ik vermoedelijk al bezig ben met een volgende. Zo doet een tekst de grenzen van verschillende tijden verschuiven en versmelten.

Een tekst is dus altijd een stuk verleden, dat een voorschot neemt op een toekomst en dat in het heden verschijnt als tijdloze actualiteit. Of zoals de filosoof René Munnik schrijft in zijn briljante boek Tijdmachines dat in 2013 verscheen: teksten “zijn tijdmachines omdat daarin vergankelijke levensuitdrukkingen gefixeerd zijn die op deze manier hun bron overleven”. Wie schrijft, die blijft.

Dit jaar bijvoorbeeld werd er stilgestaan bij de dagboeken van Etty Hillesum en van Anne Frank. Beide vrouwen zijn met hun dagboeken en hun tragische levensloop onsterfelijk geworden met een haast iconische statuur. Ze zijn tot voorbeeld voor velen geworden, zoals voor de dit jaar overleden Nelson Mandela, die op zijn beurt met zijn eigen dagboek (en met zijn leven) eenzelfde onsterfelijkheid lijkt te hebben gerealiseerd.

Tegelijkertijd zijn teksten volgens Munnik ook onbetrouwbare tijdmachines, “vanwege de onontkoombare contextualiteit die het lezen van teksten met zich meebrengt”. Iedere tekst wordt in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats geschreven en is daardoor dus “contextueel”, dat wil zeggen: aan een context gebonden. Iedere tekst bevat woorden die iets betekenen, en die woorden drukken weer gedachten uit die geduid moeten worden. En dat betekent dat we teksten altijd moeten uitleggen. En juist dat uitleggen is een hachelijke aangelegenheid. Teksten uitleggen brengt bepaalde risico’s met zich mee. We kunnen bijvoorbeeld dingen in de tekst lezen die de schrijver er niet mee heeft bedoeld. Een keer scheurde een meisje een verhaal van mij aan flarden, omdat ze niet wist wat ze ermee aan moest. Ze begreep de intentie niet. In de ogen van menig meisje heb ik me met mijn verhalen inderdaad onsterfelijk gemaakt: onsterfelijk belachelijk.

Schrijven brengt risico’s met zich mee. Zouden de Bijbelschrijvers zich daar ook bewust van zijn geweest? Die mensen van lang geleden, die ook zomaar teksten de toekomst ingegooid hebben, op de gok (of: in Godsvertrouwen). Teksten met een heel eigen geschiedenis en taal, afkomstig uit een context die ons zo vreemd is, dat we vaak hooguit naar de betekenis van bepaalde Bijbelverzen kunnen gissen. Zelfs de betekenis van veel Hebreeuwse woorden staat niet vast.

De Bijbeltekst is ook zo’n “Munnikse tijdmachine”, een tekst uit het verleden, bedoeld voor de toekomst, die Gods eeuwigheid ter sprake brengt en voor ons in het hier-en-nu present stelt en juist ook als tekst tastbaar maakt. Ambivalent, gevuld met verborgen betekenissen die openbaren en tegelijkertijd verhullen. Vanuit dat perspectief kun je de Bijbel beschouwen als een stuk verleden, dat anticipeert op een toekomst en waarin God door de tekst in het heden verschijnt als tijdloze actualiteit.

Al filosoferend vraag ik me dan ook in het licht van het voorgaande af of je misschien niet nog anders naar de schrijvende mens kunt kijken: wellicht als strevend naar onsterfelijkheid, maar al schrijvend, hopend, verlangend, dat voor even die eenheid van verleden, heden en toekomst – de eeuwigheid – gesmaakt kan worden. Schrijvende mensen op zoek naar de eeuwigheid waarin alles wat was, is en komt, voor eeuwig bewaard ligt. Is ook mijn eigen schrijflust misschien onbewust een expressie van dat impliciete verlangen naar de tastbare aanwezigheid van de Eeuwige?

Dit essay verscheen oorspronkelijk – in ietwat andere vorm – in het “Nederlands Dagblad” van 28 februari 2014, toen achter een betaalmuur, nu voor iedereen te lezen. 

, , , , ,

  1. #1 door Lucas Blijdschap op 26 augustus 2014 - 10:32

    Leuk stukje, maar er zijn nog wel wat meer drijfveren voor schrijven te benoemen. Wat dacht je van ijdelheid? En manipulatie?

  2. #2 door Fokker, P.A. (Peter) op 26 augustus 2014 - 10:51

    Dag Taede,

    Mooi stukje.

    Maar misschien toch nog even “bewaart” veranderen in “bewaard” (één na laatste zin).

    Peter Fokker

  3. #3 door Taede Smedes op 26 augustus 2014 - 10:58

    Lucas,

    Niet te letterlijk lezen…😉 Ik zeg niet dat ik de enige of enig mogelijke drijfveer voor schrijven beschrijf…

  4. #4 door Taede Smedes op 26 augustus 2014 - 10:58

    Peter Fokker,

    Dank, is veranderd!

  5. #5 door Egbert op 26 augustus 2014 - 23:18

    Wat voor aandrang er ook achter het schrijven mag liggen, het is toch een mooie manier om je ei kwijt te raken, lees je psychisch te ontladen.

    Maar waardoor je nu echt ten diepste vanuit onbewuste drijfveren geïnspireerd wordt om te gaan schrijven lijkt me niet gemakkelijk te traceren, daar kun je achteraf slechts over gaan speculeren, door er bijv een draai aan geven die jou persoonlijk wel aanspreekt.

  6. #6 door Theo Smit op 27 augustus 2014 - 02:20

    Jemineetje, Taede, twijfel je nu opeens dat je de ‘eeuwigheid’ misloopt,ondanks twee boeken van eigen hand? Natuurlijk niet doen, zou het naar de favoriete uitdrukking van Emanuel Rutten kunnen luiden. Je hebt je ‘stem’ steeds laten horen in een kakofonie. Maar pas je dan geen ‘zelf-moordende’ strategie toe op het ‘schrijverschap’ van jezelf als zodanig? De ‘morele’ eerlijkheid van het stukje spreekt me aan, maar het is vooral geen ‘sollicitatie’ voor de ‘erkenning’ van het schrijverschap in termen van de ‘markt’. Daar heet het ‘zielig’, wat je hier schrijft. Sorry.

    Inderdaad, een heel miljoen kandidaten uit de bijna zeventien, en een klein percentage daarvan krijgt het voor elkaar een ‘boek’ (in de hand en later e-achtig) gepubliceerd te krijgen, zoals je (donders goed) weet. Dat lukte je! De inzet ( en het inzicht) moet wel omhoog, verder omhoog, zoals je in Nijmegen al ervoer, vrees ik.

    Je moet een (wat vastere) baan krijgen op een van de universiteiten die zich nog druk maken over de relatie religie en wetenschap. Daar heb je echt een beetje ‘verstand’ van. “Schrijverschap’ is op zich een leeg begrip. Als (aankomend) helderziende: hoe wou je nou gaan ‘solliciteren’ met een te groot beeld van eigen zelfinzicht? Deze ego-oefening onmiddellijk staken! Wat heb jij het land te bieden? Dat is de vraag Taede, met alle empathie en sympathie bij het lezen van je columns!

    Potverdrie, een stabiele baan voor deze jongen, en alles sal reg kom, en zo niet, dan niet! Ik wil nooit meer iets horen over het ‘schrijverschap’ van TS. Ik wil ‘analyses’, desnoods wat onbeholpen opgeschreven, van zijn hand. (Ik heb niks te willen, dus daar hoeft het niet over te gaan voor de voetballer op die ‘jeugdige’ leeftijd.)

    Gok, niet meteen helder zonder touw, in de bergen en dalen, hier en daar, maar met een Zwitsers zakmes moet het te doen zijn….

    Groet.

%d bloggers op de volgende wijze: