De wereld als woning en als thuis (column)

In zijn boek Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging (Boekencentrum 2013) beschrijft de theoloog Hans de Knijff het proces waarbij wij kennis van de wereld vergaren naar analogie van het wonen. Maar wat is wonen?

Wonen is een activiteit waarbij wij – menselijke subjecten – allerlei objecten om ons heen verzamelen en zo tot een thuis maken. Dat begint natuurlijk bij het huis zelf, dat gebouwd wordt uit levenloze objecten: steen, hout, cement… Samen vormen ze ons huis, een afgebakende ruimte waarbinnen wij wonen. We kopen goederen in winkels, halen die objecten in huis, en ordenen ze zo tot een thuis. In het wonen krijgen allerlei objecten voor ons een betekenis die ze daarvoor niet hadden. Wonen is toe-eigenen en het creëren van betekenis. En dat gaat ver.

De Knijff zegt daarover: “in het wonen trachten wij ons de wereld vertrouwd en eigen te maken; wij maken ‘dingen’, oftewel exterieure zaken, tot ons ‘interieur’”.

De Duitse existentialistische filosoof Otto Friedrich Bollnow schreef in zijn boek Nieuwe geborgenheid (Nederlandse vertaling uit 1958) over het wonen:

De mens woont … niet “in” een ruimte als een voorwerp, dat op een bepaalde plaats staat, maar hij voegt zich in het verband van zijn ruimte, doordat hij deze als eigen prestatie schept en dan deze ruimte, die hij zelf ten einde toe geordend en geschapen heeft, met zijn leven vervult. Hij bevindt zich niet meer in een ruimte alsof deze iets is, dat buiten hem omgaat, maar hij wordt één met zijn ruimte.

De mens wordt één met de ruimte die zij bewoont. De ruimte waarin de mens niet alleen aanwezig is, maar waarmee de mens zich ook één voelt, waarin de mens woont (en niet slechts even huist), die ruimte is een thuis. In het wonen maakt de mens de exterieure ruimte, de ruimte buiten het lichaam, tot interieur, tot een verlengstuk en daarmee een deel van de lichamelijke beleving. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen bij wie is ingebroken die daad vaak beschrijven als een gewelddadige schending van de eigen lichamelijke integriteit.

Analoog daaraan eigent het menselijk subject, die altijd een lichamelijk in-de-wereld-zijn is, in het proces van kennisverwerving zich de objectieve werkelijkheid toe, ordent die volgens een bepaald interpretatiekader, en geeft de werkelijkheid op die manier betekenis.

Kennis verwerven van de werkelijkheid is dus zich de werkelijkheid eigen maken, toe-eigenen. Wetenschap wordt, zo bekeken, een vorm van zich de wereld tot woning omvormen. De drive van de natuurwetenschap is daarmee uiteindelijk een menselijke: het verlangen om zich thuis te kunnen voelen in de kosmos.

, , , , , , ,

  1. #1 door nand braam op 26 september 2014 - 10:15

    Eerder koos de Knijff het landschap als model voor de manier waarop de mens rentmeester zou kunnen zijn.

    Recensie van het boek “Tussen woning en woestijn”.

    http://www.trouw.nl/tr/nl/4512/Cultuur/archief/article/detail/2692337/1996/01/03/Milieu-ethiek-vanuit-de-vreugde-Mens-moet-weer-een-goede-rentmeester-worden-Leren-van-steden-een-landschap-te-maken.dhtml

    “Voor de manier waarop de mens rentmeester zou kunnen zijn kiest De Knijff het landschap als model. De woning zou geen bruikbaar model zijn, omdat de mens in zijn woning alles te vertellen heeft en de natuur vrijwel niets. De woestijn zou ook geen goed model zijn, omdat de natuur in de woestijn alles te vertellen heeft en de mens vrijwel niets. Maar op het landschap oefent de mens zijn invloed uit, terwijl het toch ook bepaald blijft door van de mens onafhankelijke factoren. In het landschap kunnen natuur en techniek met elkaar in evenwicht gebracht worden. Daarom zouden we onze steden, industrie- en kantoorgebieden naar dit model moeten inrichten.”’

%d bloggers op de volgende wijze: