Oppervlakte versus diepte (column)

Ergens schrijft de dwarse filosoof Wittgenstein “Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel”.[1] Wittgenstein lijkt ermee te willen uitdrukken dat het een dwaling is de menselijke ziel te beschouwen als iets onzichtbaars, als een onzichtbare essentie die verborgen ligt onder de oppervlakte van ons alledaagse zijn. Het beleefde menselijke lichaam brengt de menselijke ziel tot uitdrukking, is de menselijke ziel-in-actie. Het is onzinnig om over een verborgen innerlijke essentie na te denken: “Mijn houding tegenover hem is een houding tegenover een ziel. Ik ben niet van mening dat hij een ziel heeft”, schrijft Wittgenstein nog. Het beleefde lichaam ís de ziel.

Wittgensteins uitspraak is interessant, omdat die in feite tegen een manier van denken ingaat, die minstens zo oud is als het denken van Plato en stevig in onze cultuur is ingesleten, ook al is het idee van Wittgenstein niet echt nieuw te noemen. Het lijkt in continuïteit te zijn met een wijze van denken die we al bij Aristoteles ontmoeten en die ook het zielsbegrip van Thomas van Aquino al beïnvloedde. Toch is voor veel mensen het idee dat het beleefde lichaam de ziel is contraïntuïtief. Immers, de implicatie lijkt te zijn dat ook de ziel verdwijnt als het lichaam sterft. Inderdaad zag Thomas van Aquino juist vanwege de onverbrekelijke eenheid van ziel en lichaam ook de theologische noodzaak om de wederopstanding des vlezes serieus te nemen, zodat de ziel weer kan versmelten met het haar toebehorende lichaam. Zonder lichaam bleef de ziel wezenloos alleen. Ziel en lichaam vormen elkaars complement.

Ons meer Platoons geïnspireerde denken over de ziel als de essentie van de mens is een illustratie van een wijze van denken waarin het manifeste bijzaak is en het verborgene verbergt, het latente dat de essentie van iets uitmaakt. Twee hedendaagse manifestaties van een wetenschapsgeloof dat vaak “sciëntisme” wordt genoemd – fysicalisme en materialisme – zijn eveneens illustratief voor een dergelijke manier van denken, en ik zou eveneens het denken van de moderne neurowetenschappen kunnen noemen.

De manier van denken die ik op het oog heb behelst dat wat aan de oppervlakte ligt, inferieur is ten opzichte van wat dieper daaronder verborgen ligt. Of sterker nog: we zijn geneigd om dat wat aan de oppervlakte ligt, slechts als een epifenomeen te beschouwen, als schone schijn, maar niet werkelijk, het blijft zonder substantie. Dat wat onder de oppervlakte ligt, is “echter”, “werkelijker” dan wat aan de oppervlakte is. Als je er even bij stilstaat, is het een vreemde manier van denken, en bovendien zonder schijnbare rechtvaardiging, maar niettemin met goede filosofische papieren.

Immanuel Kant stelde dat de werkelijkheid voor ons uiteenvalt in twee domeinen. Enerzijds is daar de wereld van de verschijnselen, van datgene wat we waar kunnen nemen, het eeuwigdurende spel met maskers. Die wereld van de verschijnselen verbergt een ander domein, namelijk de wereld zoals die op zichzelf, an sich is. De wereld an sich kunnen we niet kennen, voor ons rest niets dan de werkelijkheid der verschijnselen.

Onze werkelijkheid ervaren we dus als een gemaskeerde werkelijkheid, waarin we voortdurend op afstand worden gehouden van wat is door de tussenlaag van het masker. Het punt nu is, dat door het onbewust beleefde en geleefde onderscheid tussen het manifeste en het latente, de mens voortdurend op een afstand blijft staan van wat is. Wat zich direct aandient, wordt niet als werkelijk ervaren, het is inferieur ten opzichte van wat eronder schuilgaat en wat de essentie is.

Wat zich direct aandient, heeft het ambivalente karakter van een masker: wat zich aandient wordt beleefd en geleefd als datgene wat enerzijds openbaart, maar tegelijkertijd verbergt. Zonder het masker zouden we van het bestaan van het onderliggende niets weten, maar het masker verbergt tegelijkertijd datgene wat eronder ligt.

De grote verdienste van Kant was dat hij de wereld tenminste probeerde zich ervan bewust te maken dát we de wereld als gemaskeerd zien en ervaren, terwijl fysicalisme en materialisme zich daar volstrekt niet van bewust lijken.

De grote verdienste van Wittgenstein was dat hij ons probeerde ons ervan bewust te maken hoe ons denken ons bedriegt, dat ons denken over de werkelijkheid wellicht op een vergissing berust. Hij probeerde niet de wereld der verschijnselen en de wereld zoals die an sich is weer bij elkaar te brengen, maar hij liet zien welke categoriefout we maken wanneer we denken in termen van oppervlakte en diepte.

De onrust die echter bij Wittgenstein optreedt, is dat hij geen werkelijk alternatief biedt. Het idee dat het lichaam het beeld van de ziel is, mag dan een diepe waarheid lijken, het is verpakt in een oppervlakkig aforisme dat de meesten van ons hooguit doet glimlachen.


[1] Filosofische onderzoekingen, Amsterdam: Boom 2002, 272; in de Engelstalige edities staat het citaat in het tweede deel, op pagina 178.

, , , , , , , , ,

  1. #1 door Lucas Blijdschap op 9 november 2014 - 07:53

    De grote verdienste van Wittgenstein was dat hij ons probeerde ons ervan bewust te maken hoe ons denken ons bedriegt, dat ons denken over de werkelijkheid wellicht op een vergissing berust.

    Mag het een onsje minder zijn slager?

  2. #2 door Egbert op 10 november 2014 - 14:13

    Teade schrijft: Als je er even bij stilstaat, is het een vreemde manier van denken, en bovendien zonder schijnbare rechtvaardiging, maar niettemin met goede filosofische papieren.

    Maar wat is in dit geval nu de zeggingskracht van “maar niettemin met goede filosofische papieren”.

%d bloggers op de volgende wijze: