Pouwel Slurink, sociobiologie, en de zinzoekende aap. (boekbespreking)

Wat voor implicaties heeft de evolutietheorie voor onze levensbeschouwing – dat wil zeggen, voor onze noties van cultuur, moraal en religie? De Nijmeegse filosoof Pouwel Slurink heeft hierover een boek geschreven dat weliswaar interessant is, tot denken aanzet, maar ook speculatief is en zeker niet bij iedereen in de smaak zal vallen.

Aap zoekt zin is een filosofieboek, geen biologieboek. Het is een boek dat vele lijnen uit de “sociobiologie” (wat vandaag de dag “evolutionaire psychologie” heet) bijeenbrengt en zo toch een aanzet tot een evolutionistische levensbeschouwing presenteert, waarin god of goden geen plaats hebben, maar waarin de zinzoekende apen die wij zijn centraal staan. Of zijn wij misschien slechts voertuigen voor onze genen?

Een bespreking…

Sociobiologie

De door Edward O. Wilson bedachte term “sociobiologie” is voor velen een beladen term geworden. Het idee dat de evolutietheorie kan worden toegepast om te verklaren waarom wij bijvoorbeeld liefst in een groene omgeving wonen, waarom mannen vrouwe met specifieke lichaamsverhoudingen prefereren boven andere, of hoe onze ideeën over goed en kwaad zich ontwikkeld hebben – er zijn veel wetenschappers die menen dat de sociobiologie geen plaats aan een universiteit verdient. Sommigen zien de sociobiologie zelfs in hetzelfde rijtje pseudowetenschappen als fysiognomiek, frenologie of het werk van Immanuel Velikovsky. De term “sociobiologie” is dus beladen, en vandaar dat de term “evolutionaire psychologie” vandaag de dag veel meer gemeengoed is geworden, ofschoon er een sterke continuïteit is met Wilsons sociobiologische ideeën.

Het boek van Pouwel Slurink is bij mijn weten het eerste boek in het Nederlands dat ideeën uit de sociobiologie of evolutionaire psychologie serieus neemt en uitvoerig beschrijft. Oké, Chris Buskes besteedt er in zijn Evolutionair wereldbeeld ook aandacht aan, maar doet dat toch niet zo vergaand als Slurink. En ja, Slurink doet het met verve, hij heeft een uiterst leesbaar boek geschreven, maar kan toch niet voorkomen dat het geheel veel weg heeft van een just-so story.

Gencentrisme

Verwacht geen inleiding in de evolutiebiologie. De kennis daaromtrent wordt als bekend verondersteld. En net als bij Richard Dawkins, geeft ook Slurink aan dat het allemaal draait om de genen: “De natuur behoudt wat erin slaagt haar/zijn genen tijdig onder te brengen in nakomelingen en verwanten. Dit verklaart de tendens van organismen om zich te bekommeren om nageslacht en verwanten” (66). Het is het perspectief dat door Wilson en Dawkins werd ontwikkeld, een zienswijze “waarbij je het leven bekijkt vanuit het gezichtspunt van de genen” en dat “een enorme vooruitgang [betekent] vergeleken bij het gezichtspunt vanuit het individu” (67). Dat betekent echter niet dat Slurink volledig meegaat met al Dawkins’ ideeën – in de loop van het boek uit hij regelmatig (milde, maar toch) kritiek op Dawkins – maar Slurink neemt wel zijn basisidee over, dat leven gedreven wordt door “egoïstische genen”.

De evolutie heeft ervoor gezorgd dat er verschillende strategieën zijn ontstaan die individuen in staat te stellen genen zo efficiënt mogelijk door te geven. Verschillende vormen van altruïsme passeren de revue, want een van de centrale stellingen van het boek is dat samenwerking een cruciale evolutionaire strategie is. Dat betekent dat competitie weliswaar belangrijk is en blijft – competitie is de motor achter evolutie – maar dat “survival of the fittest” niet zozeer te maken met het recht van de fysiek sterkste, maar met het handhaven in en aanpassen aan verschillende contexten (zodat genen zo lang mogelijk in staat worden gesteld om zich te reproduceren). En altruïsme en samenwerking (en dus cultuur) zorgen voor een dergelijk bijzonder flexibel aanpassingsvermogen.

Evolutionair gesproken is er dan ook sprake van een viertal causale niveaus die op elkaar inwerken: genen, geest, cultuur en omgeving (331). Het hele boek bestaat uit een verhaal waarin de samenwerking van die causale niveaus duidelijk wordt gemaakt. De genen staan centraal, het boek heeft dus een strikt gencentrisch perspectief. Die genen zitten echter in lichamen die als het ware voertuigen zijn en die een efficiënte besturing nodig hebben. De genen hebben dan ook een “dashboard” (metafoor van Slurink) ontworpen, de geest, die het voertuig bestuurt: “alleen door allerlei mogelijke scenario’s bewust te wegen weet zij [het bewustzijn] wat goed is voor onze genen en wat er te doen staat” (138). En die geest zorgt dan vervolgens weer tot cultuur, die in zekere zin een reactie is op en aanpassing van de omgeving.

Genetisch determinisme

De menselijke geest staat dus volledig in dienst van de genen, maar dat betekent niet dat we door onze genen gedetermineerd worden. Genetisch determinisme is achterhaald, stelt Slurink. Nee, evolutie is veel slimmer dan dat. De evolutie heeft ervoor gezorgd dat de mens een zekere mate van vrijheid ervaart. De mens heeft een zelfgevoel, dat in dienst staat van zelfbehoud en streeft naar status, de mens is in staat om te improviseren al naar gelang de situatie dat verlangt. Er is dus een mate van vrijheid: wij mensen zijn vrij om uit onze natuur te kiezen, maar niet om onze natuur te kiezen (172). Of anders gezegd:

Onze vrijheid lijkt dus deels een aanpassing te zijn die ons in staat stelt in verschillende omstandigheden adaptief te reageren. Enerzijds zijn we vrij, omdat we reële keuzen tussen scenario’s hebben, anderzijds tolereert de natuur geen totale vrijheid – ze leidt ons in onze keuzen door de overlevingswaarde van onze keuzen voelbaar te maken. Zoals de evolutieleer ons doet verwachten, zijn we vooral vrij als dit ons in staat stelt onze genen in een veelheid van milieus te gehoorzamen – we zijn slechts ‘een beetje’ vrij als het er bijvoorbeeld om gaat onze idealen te volgen. Als je een beetje te idealistisch bent loop je meestal al snel aan tegen het pragmatisme van je partner, baas of collega’s – of tegen je eigen vermoeidheid. De speelruimte is in feite altijd beperkt. (176)

Is er dus vrije wil? Slurink zegt: “Ja, we zijn in staat ‘in ketenen te dansen’, maar tegelijkertijd blijft het ook een dansen in ketenen – ze doen pijn, ze zijn zwaar, ze beperken ook je mogelijkheden en houden je stevig op de grond” (176). We kunnen onze driften niet ontlopen, want die driften zorgen ervoor dat we tenminste blijven vrijen, want: “een vrije wil die nooit vrijen wil zou snel uitsterven” (176).

Sluwe voortplantingsstrategie

De menselijke cultuur is dus een erg sluwe voortplantingsstrategie, als je tenminste Slurinks sociobiologische perspectief en de argumenten daarvoor accepteert. Alle producten van de menselijke geest – Slurink focust met name op moraal en godsdienst – zijn onderdeel van de cultuur en dus allemaal onderdeel van de evolutionaire voortplantingsstrategie. Dat betekent dat al die onderdelen van de cultuur wel waarde (zij het uiteindelijk slechts een extrinsieke), maar dat er geen waarheid mee hoeft te corresponderen, want: “Het gaat in de evolutie uiteindelijk niet om zuivere kennis, maar om genenverspreidend gedrag” (109).

En zingeving? Het ervaren van zin is volgens Slurink “louter (!) het ervaren van een ‘match’ tussen onze behoeften en ons feitelijke leven (…) zingeving is de aanpassing van ons leven aan het complexe leven in de onze omringende samenleving, waarin de bevrediging van behoeften altijd verloopt via het innemen van rollen en het verdelen van taken. Als je dan eindelijk het gevoel hebt dat je je plekje in de maatschappij veroverd hebt voel je je in diepere zin veilig: je voelt je niet buitengesloten of verdwaald. Je hebt het gevoel dat je leven deel uitmaakt van iets dat groter is dan je zelf” (335). Dat laatste kan in religieuze betekenis worden opgevat, geeft Slurink toe, maar het hoeft niet.

Gefronste wenkbrauwen

Slurink heeft een erg interessant boek geschreven, dat stof tot nadenken geeft. Ik heb wel regelmatig mijn wenkbrauwen gefronst. Bijvoorbeeld als het gaat om de ‘naturalistische drogreden’ en het onderscheid tussen is en ought, dat Slurink relativeert, maar ik begrijp eigenlijk zijn argument daarvoor niet. Ook is Slurinks dogmatische atheïsme redelijk storend, hoewel hij zich ver houdt van het militant-apologetische atheïsme van Dawkins en de zijnen. Slurinks dogma is de regel dat God niet kan bestaan, omdat geest niet voorafgaat aan de evolutie, maar er het product van is (bijv. p. 28, maar vaak herhaald). Slurink hoeft dus religie niet op haar eigen merites te beoordelen, omdat godsdienst louter en alleen een evolutionaire voortplantingsstrategie is. Overigens geeft Slurink (impliciet) toe dat dat laatste uiteindelijk ook geldt voor wetenschap, taal, moraal, noem maar op.

Metafysica

Het is goed om bij het lezen van dit boek voortdurend voor ogen te houden dat het gaat om een filosofie, en geen wetenschap. Slurink geeft een interpretatie van de evolutietheorie, een interpretatie die uiteindelijk een metafysica is en een hoog just-so gehalte heeft. Slurink geeft in het begin van het boek aan dat hij vanuit een naturalistisch perspectief opereert, wat dus betekent dat hij al een metafysische beslissing maakt, die hij verder niet verantwoordt, maar die hij als basis neemt van een verdere reflectie om te zien hoever hij met zijn perspectief kan komen.

Maar, zo zou iemand kunnen tegenwerpen, staat Slurinks positie niet enorm sterk? Hij verwijst immers naar veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek? Dat Slurink verwijst naar psychologisch en sociaal-wetenschappelijk onderzoek klopt weliswaar, maar hij gaat hier weinig kritisch mee om. De laatste jaren zijn er steeds meer stemmen opgegaan om kritischer om te gaan met resultaten van sociaal-psychologisch onderzoek, omdat uit soms kleine testjes (en achteraf gegoochel met statistiek) toch stellige conclusies worden gepuurd. Dat wil niet zeggen dat die testjes onzin zijn, maar wel dat je erg kritisch moet zijn bij al te stellige conclusies die er aan worden verbonden. En het moet helaas gezegd worden, Slurink hangt er uiteindelijk een heel mens- en wereldbeeld aan op.

Het gaat dus bij dit boek om een filosofische interpretatie van natuurwetenschap, niet om een natuurwetenschappelijke bijdrage zelf. Uiteindelijk is het, ondanks alle biologische terminologie, filosofische hermeneutiek wat Slurink bedrijft: het is een duiding van menselijk gedrag vanuit een bepaald, voorgegeven interpretatiekader dat zich bedient van evolutiebiologische concepten en taal. Wat Slurink doet, is dus een vorm van geesteswetenschap, en kan daarmee niet op waarheid bogen, omdat het niet boogt op waarheid, maar slechts onderdeel is van de sluwe strategie die de genen hebben ontworpen en die we “cultuur” noemen. Hier bijt Slurinks positie zichzelf dus in de staart en de vraag is daarmee of Slurinks boek de toets van filosofische consistentie kan doorstaan.

Freud

Dat alles zorgt er uiteindelijk voor dat Slurinks sociobiologische perspectief zoals uiteengezet in dit boek, op hetzelfde niveau komt te staan als bijvoorbeeld de psychoanalytische benadering van Sigmund Freud. Freuds psychoanalyse werd ooit bejubeld als een revolutionaire nieuwe wetenschap van de geest, maar wordt vandaag de dag door veel wetenschappers als een pseudowetenschap of hooguit een filosofisch-antropologisch perspectief beschouwd. De tijd zal leren of de sociobiologie die in Slurinks boek bejubeld wordt hetzelfde lot zal ondergaan.

En toch, als je ze beschouwt als filosofie en ze met een kritisch oog leest, blijven Freuds geschriften niettemin nog altijd het lezen waard. En dat durf ik ook vol overtuiging te concluderen wat betreft Slurinks boek.

Pouwel Slurink, Aap zoekt zin: Waarom wij bewustzijn, vrije wil, moraal en religie hebben.
Leusden: ISVW Uitgevers 2014.
ISBN 978-94-91693-41-0, 376 pp., € 27,50.

, , , , , , , , , , , , , , ,

  1. #1 door Jan-A. Riemersma op 2 december 2014 - 10:52

    Mooie bespreking Taede… Je schrijft: [Slurink geeft in het begin van het boek aan dat hij vanuit een naturalistisch perspectief opereert, wat dus betekent dat hij al een metafysische beslissing maakt, die hij verder niet verantwoordt, maar die hij als basis neemt van een verdere reflectie om te zien hoever hij met zijn perspectief kan komen.]

    Hoe sterk is zijn naturalisme? Bedoelt Slurink dat hij zich bij aanvang beperkt tot wat we wetenschappelijk kunnen weten (naturalisme = als het om betrouwbare kennis gaat is er geen alternatief voor wetenschap) of is hij echt zeer naturalistisch (naturalisme = er is beslist geen god, metafysica is onzinnig enz.).

  2. #2 door PietV. op 2 december 2014 - 18:14

    Een interessant boek, misschien kan Sinterklaas hem bij mij bezorgen voor 5 december.

  3. #3 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 3 december 2014 - 11:42

    Beste Taede Smedes,

    Vind je ook niet dat de term ‘strategie’ een zekere doelstelling impliceert, terwijl er bij evolutie geen sprake is van een doel?
    Ook de term “egoïstische genen” suggereer dat genen hun ‘doel’ willen verwezenlijken door uitsluitend hun eigen belang te dienen, maar dat is natuurlijk onzin.
    Hooguit lijkt dit alleen maar zo.
    Genen die een grotere overlevingskans hebben zul je vaker aantreffen dan andere genen, kwestie van statistiek en niet van vooropgesteld doel.
    De termen ‘strategie’, ‘egoistisch’ en ook ‘handhaven’ en ‘aanpassen’ suggereren meer dan evolutie waar kan maken, tenzij je het over organismen hebt die zelf doelgericht kunnen handelen en niet over genen.
    Al met al lijkt er dus geen basis te zijn om een eventuele doelgerichtheid van de mens toe te schrijven aan iets als evolutionaire doelgerichtheid, want die is er domweg niet.
    Waar menselijke doelgerichtheid dan wel vandaan komt? Instinct misschien? Onderbuikgevoelens? Intuïtie? Voer voor psychologen en sociologen, maar, zolang die er niet uit zijn, ook voer voor filosofen.

  4. #4 door Taede Smedes op 3 december 2014 - 13:42

    Bert,

    Ik citeer even Slurink (p. 34/35):

    Nu zien we dat het idee van evolutie door natuurlijke selectie ons dwingt om ons los te denken uit de vastgeroeste tegenstellingen uit de traditionele filosofie. Zij zijn het in feite die velen doen geloven dat er geen doelgerichtheid bestaat in het natuurwetenschappelijk universum. Doelgerichtheid wordt geassocieerd met een omvattende doelgerichtheid en het bewust nastreven van doelen. Individuele organismen kunnen echter wel degelijk doelgericht zijn, terwijl zij het product zijn van een niet-doelgericht proces. Deze doelgerichtheid hoeft bovendien niet bewust te zijn en ligt ten grondslag aan het bewust nastreven van doelen dat we maar bij enkele organismen zien. De basis van die doelgerichtheid ligt in het genetisch programma dat de groei van organismen orkestreert en een product is van een sneeuwbal van cumulatieve variatie en selectie.

    Door een combinatie van het idee van een ‘genetisch programma’ en het idee van natuurlijke selectie kunnen we zo een brug slaan tussen:
    – ‘mechanicisme’: het begrijpen van processen als producten van reeksen van oorzaken en gevolgen, en
    – ‘teleologie’: het begrijpen van processen vanuit de gerichtheid op doelen.

    Doelgerichtheid ontstaat en kan ontstaan, doordat alleen organismen overleven die de juiste doelen hebben! Zij is het product van selectie en dus juist niet van een vorafgaand doel. Voor dit soort doelgerichtheid bedacht Pittendrigh de term teleonomie. Je zou het een geleid worden door interne doelen kunnen noemen.”

    Het gaat dus bij die “egoïstische genen” om teleonomie, niet teleologie.

  5. #5 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 3 december 2014 - 16:32

    Taede, dan zijn we het dus eens. Evengoed lijkt ‘geleid worden door interne doelen’ weer een tegenspraak op te leveren met de afwezigheid van ‘een voorafgaand doel’.

    Bij evolutie gaat het om sprongen in het onzekere, waarbij interne en externe factoren bepalen of er al dan niet sprake is van overleving. Als er sprake is van overleving, dan kan verwacht worden dat een nieuwe sprong onder min of meer gelijke omstandigheden ook een min of meer gelijke kans van overleving oplevert. In een competitieve situatie kunnen kleine interne veranderingen een differentiatie teweeg brengen in de overlevingskans, waardoor bepaalde veranderingen dominant kunnen worden.
    In dit proces is geen enkel doel te bekennen; omdat ‘teleonomie’ een aanduiding van ‘doelgerichtheid’ is, dat lijkt me dat dus geen juiste term voor dit proces. Dit proces wordt gewoonlijk met ‘evolutie’ aangeduid en die term lijkt mij volkomen adequaat.
    De mens is het product van een evolutie van zijn voorgangers. Zijn voorgangers hadden niet het doel om bij een mens uit te komen.

    De telecommunicatietechniek had als doel mensen over grotere afstanden met elkaar te laten communiceren. Dit is uitgegroeid tot het Internet, waarbij mensen een steeds kleinere rol lijken te gaan spelen, zodat over het ‘Internet der dingen’ gesproken wordt. Toen in de 70er jaren van de vorige eeuw TCP/IP werd geïntroduceerd, had niemand voorzien dat dit zo’n enorme vlucht zou nemen, laat staan dat het Internet zoals wij dat kennen als doel gezien werd. Achteraf kan alleen maar geconcludeerd worden dat ook deze ontwikkeling evolutionair was.
    Er hebben zich veel meer van dit soort evoluties voltrokken, denk maar aan bestuursvormen, fabricageprocedés, onderwijsvormen, enz.
    Eigenlijk kan je wel stellen dat de mensheid niet precies weet waar zij mee bezig is.
    We maken allerlei plannetjes om veel later te zien dat er van de oorspronkelijke plannen nauwelijks nog iets te herkennen valt.

  6. #6 door pouwelslurink op 4 december 2014 - 12:01

    Dit is op POUWEL SLURINK´S REFLECTIES herblogden reageerde:
    Ik dank Taede Smedes hartelijk voor zijn sympathieke en tegelijkertijd kritische recensie van mijn boek Aap zoekt zin. Taede en ik liggen op een wat andere lijn: hij is een theoloog die een boek heeft geschreven over de verenigbaarheid van geloof met de evolutietheorie. In mijn boek probeer ik te laten zien hoe moeilijk het geloof in een geest voorafgaand aan het evolutieproces wordt als je je realiseert dat geest vooral een product van evolutie is. Des te bewonderenswaardig vind ik zijn relatief milde bespreking van mijn boek. In het verleden heb ik hem meegemaakt als een vrij felle kriticus van de sociobiologie en evolutionaire psychologie en ook nu beklemtoont hij dat het vooral veel speculatie is, maar hij weet natuurlijk ook wel dat we niet vooruitkomen zonder speculeren. De Big Bang theorie is ook speculatie op basis van de roodverschuiving in het kleurenspectrum van sterren en op basis van de kosmische achtergrondstraling – je komt in de wetenschap niet verder zonder slim gekozen vooronderstellingen en speculatieve extrapolaties. Het is nog niet zo’n raar idee dat ook de menselijke geest alleen kon evolueren omdat zij op de één of andere manier voordelen bood in de strijd om het bestaan. Er moeten selectiedrukken zijn geweest die mensen ‘gekweekt’ hebben, juist als je niet uitgaat van een kant en klaar ‘beeld van God’. Hoe dan ook, Taede had mijn boek ook smalend kunnen afmaken omdat het niet in zijn kraam van pas komt, maar hij prijst juist mijn stijl en betoogtrant. Hij doet me ook realiseren dat er nog bepaalde dingen niet helder genoeg worden uitgelegd, zoals de manier waarop ik aankijk tegen de naturalistische drogreden – die ik een fatalistische drogreden noem. Zolang je niet weet wat voor jou allemaal mogelijk is, kun je je niet beroepen op je van nature gegeven beperkingen, want een dergelijk beroep is een selffulfilling prophecy. We kunnen niet met zekerheid beweren dat we ten onder gaan door het versterkte broeikaseffect, omdat we misschien wel degelijk de mogelijkheid hebben er nog tijdig iets aan te doen. Dus Taede’s bespreking is voor mij ook heel instructief, omdat ik me realiseer dat er nog wat te doen is na Aap zoekt zin… Hopelijk zijn er een paar mensen die door de recensie van Taede geïnspireerd worden het boek te kopen, zodat zij zich een eigen oordeel kunnen vormen. Dus, nogmaals dank, Taede !

  7. #7 door Frank op 7 december 2014 - 10:59

    Je vergelijking met de Big Bang theory gaat niet op.

    De Big Bang theory is gebaseerd op het toepassen van bekende natuurwetten (met name die van Einstein) op observaties. We kunnen hiermee stap voor stap beredeneren hoe een Big Bang leidt tot de huidige observaties in het heelal.
    Zo’n stap-voor-stap beredenering bestaat in de evolutietheorie voor veel fysiologische kenmerken, maar zeker niet voor het ontstaan van ‘bewustzijn’.

    Het probleem dat we geen model hebben wat stapsgewijs kan duiden hoe een klont hersencellen tot ‘bewustzijn’ leidt, wordt ook wel ‘the hard problem of consciousness’ genoemd.

    In die zin zou een vergelijking met ‘dark energy’ veel beter zijn. Geen enkele fysicus weet wat het is en hoe het ontstaat.
    Fysici raken opgewonden van een dergelijke ontdekking, omdat het wellicht nieuwe inzichten geeft in de natuur en nieuwe natuurwetten kan onthullen.
    Evolutiebiologen zien dergelijke kansen (nog) niet maar proberen juist alles onder de materiële evolutiemat te vegen.

    Wat dat betreft is Darwin voor de evolutietheorie wat Newton was voor de fysica. Hij heeft revolutionaire inzichten gebracht en een mechanistisch wereldbeeld, maar de zaak ook een beetje verstard.

    De fysica is inmiddels wakker geschud door de relativiteitstheorie en al helemaal door de kwantummechanica, die ons leert dat materie in de zin van tastbare deeltjes in principe niet bestaat, en dat ons alledaagse beeld van causaliteit via tijd en ruimte incompleet is.

    Nu is het wachten op de Einstein van de evolutietheorie, die de evolutiebiologen een beetje wakker schudt en hun blik weer verruimt.

  8. #8 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 10 december 2014 - 10:25

    Het is nog maar de vraag of het helemaal onduidelijk is waar bewustzijn door ontstaat.
    Mensen als Douglas Hofstadter en Daniel Dennett hebben daar zo hun eigen ideeën over.
    Ook de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie verschaft modellen die analoog zijn aan de werking van het brein en die zouden heel goed tekenen van ‘bewustzijn’ te zien kunnen geven. Geen menselijk bewustzijn, maar toch.
    De volgende link vermeldt dat chemici van de universiteit van Glasgow kunstmatige evolutie hebben gecreëerd.
    http://www.laboratoryequipment.com/news/2014/12/chemists-create-artificial-evolution
    Een van de onderzoekers zegt:
    “This is the first time that an evolvable chemical system has existed outside of biology. Biological evolution has given rise to enormously complex and sophisticated forms of life, and our robot-driven form of evolution could have the potential to do something similar for chemical systems. This initial phase of research has shown that the system we’ve designed is capable of facilitating an evolutionary process, so we could in the future create models to perform specific tasks, such as splitting, then seeking out other droplets and fusing with them. We’re also keen to explore in future experiments how the emergence of unexpected features, functions and behaviors might be selected for. In recent years, we’ve learned a great deal about the process of biological evolution through computer simulations. However, this research provides the possibility of new ways of looking at the origins of life as well as creating new simple chemical life forms.”

  9. #9 door Frank op 10 december 2014 - 12:07

    Als je leest wat het experiment daadwerkelijk inhoudt vind ik de conclusie nogal verstrekkend.

    Druppeltjes olie bestaande uit verschillende mengverhoudingen van vier stofjes zijn geëvalueerd en de meest veelbelovende zijn telkens genomen om uiteindelijk in een aantal iteraties bij de beste mengverhouding uit te komen.

    Dit lijkt meer op het wiskundig zoeken naar een minimum/maximum dan op evolutie. Het is te vergelijken met de wijze waarop uiteindelijk resistente bacteriën overblijven in een populatie, m.a.w. de zoveelste verschijningsvorm van micro-evolutie.

    “Ook de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie verschaft modellen die analoog zijn aan de werking van het brein en die zouden heel goed tekenen van ‘bewustzijn’ te zien kunnen geven. Geen menselijk bewustzijn, maar toch.”

    Zou je de redenering ook om durven draaien: Als we complexe systemen bouwen analoog aan het brein maar geen enkele aanleiding vinden om te veronderstellen dat er iets van ‘beleving’ in zit, kunnen we dan concluderen dat het brein alleen geen bewustzijn kan voortbrengen?

  10. #10 door gansanders op 4 januari 2015 - 12:05

    Lijkt me een interessant boek, ik zet het op mijn lijstje.

    Taede, je schrijft:

    Wat Slurink doet, is dus een vorm van geesteswetenschap, en kan daarmee niet op waarheid bogen, omdat het niet boogt op waarheid, maar slechts onderdeel is van de sluwe strategie die de genen hebben ontworpen en die we “cultuur” noemen. Hier bijt Slurinks positie zichzelf dus in de staart en de vraag is daarmee of Slurinks boek de toets van filosofische consistentie kan doorstaan.

    Dit geeft Slurink elders zelf ook toe. In dit artikel (21 pagina’s) zet hij een aanzet voor een evolutionaire epistemologie uiteen: http://goo.gl/4ZWd20 Hij concludeert hierin:

    Alle wetenschappelijke kennis is nodig om erachter te komen wat wetenschappelijke kennis is. Kenleer is kennis van de wereld, toegepast op de mens en zijn kennis van de wereld. Het wetenschappelijk wereldbeeld vormt een immense cirkel, die begint bij hypotheses over de nietorganische en buitenmenselijke natuur en van daar uit uiteindelijk ook de mens plaatst en zijn vermogen wetenschappelijke hypotheses te vormen. De evolutionistische kenleer vormt hier het punt, waar de cirkel zich sluit en de draak zijn eigen staart opeet.

    Dit lijkt me een vorm van coherentisme, een benadering die mij persoonlijk aanspreekt omdat hij lijkt aan te sluiten bij hoe de wereld tot mij komt en algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis. Natuurlijk blijft zijn visie als totaal een metafysische interpretatie, maar dat geldt volgens mij voor vrijwel alle wereldbeelden (behalve misschien agnosticisme).

    Groet, Wouter

%d bloggers op de volgende wijze: