Het religieuze naturalisme van Carl Sagan (1934-1996)

De vermaarde kosmoloog Carl Sagan (1934-1996) is vandaag de dag vooral bekend als een van de grootste popularisatoren van wetenschappelijke kennis. Hij was een invloedrijke wetenschapper die veel boeken schreef over het heelal, over de evolutie van menselijke intelligentie, en over de zoektocht naar buitenaards leven (waarover hij de briljante roman Contact schreef, die later met Jodie Foster in de hoofdrol verfilmd werd). De meeste mensen kennen Sagan van de tv-serie Cosmos uit het einde van de jaren ’70.

Die documentaireserie, die hij samen met zijn vrouw Ann Druyan bedacht en zelf presenteerde, zorgde ervoor dat Sagan in de jaren ’80 door met name gelovigen argwanend beschouwd als een van de grootste vijanden van het christelijk geloof. Gelovigen en ongelovigen waren het eens dat de serie Cosmos van een uitzonderlijke schoonheid was, maar het probleem voor veel gelovigen lag in de woorden waarmee Sagan Cosmos begint: ‘De kosmos is alles wat er is of ooit is geweest of ooit zal zijn’. Voor veel gelovigen werd Sagan met die woorden de belichaming van een materialistisch atheïsme dat onmogelijk te rijmen was met godsgeloof.

Daarmee wordt miskend hoe religieus en spiritueel Sagan in werkelijkheid was.

Voor veel natuurwetenschappers is de tv-serie Cosmos een grote inspiratiebron geweest. Talloos zijn de verhalen van kleine jongetjes die na het zien van de serie besloten ook natuurwetenschapper te worden. Het is niet moeilijk te begrijpen waardoor die kleine jongetjes gefascineerd werden. In woord en beeld (en niet te vergeten door de fantastische muziek van synthesizer-virtuoos Vangelis) liet Cosmos zien hoe inspirerend natuurwetenschap was op een manier die voor Sagan zelf heel dicht bij een religieuze ervaring kwam: ‘In elk sterrenkundig onderzoek, soms zo diep verborgen dat de onderzoeker zelf zich van de aanwezigheid ervan niet bewust is, ligt een kern van ontzag’ (Sagan 1981, 242).

Die kern van ontzag die eigen is aan de sterrenkunde was volgens Sagan van religieuze aard. Later zou Sagan schrijven: ‘de beste manier die ik ken om de religieuze gevoeligheid aan te spreken, dat gevoel van ontzag, is tijdens een heldere nacht omhoog te kijken’ (Sagan 2006, 2). Volgens Sagan raken de kernen van zowel religie als wetenschap elkaar. Zo schrijft hij dat het Latijnse religare komt van ‘verbinden’, ‘verbinden wat afgezonderd geraakt is’. En ‘in deze betekenis van het zoeken naar de diepste wederzijdse verbintenissen tussen dingen die aan de oppervlakte uiteengedreven lijken te zijn, zijn de doelstellingen van religie en wetenschap, naar mijn idee, identiek zo niet bijna identiek’ (Sagan 2006, 1-2).

Het platte materialisme van Sagan blijkt helemaal niet zo plat te zijn, wat ook duidelijk wordt als de lezer even voorbij die eerste zin kijkt:

De kosmos is alles wat er is of ooit is geweest of ooit zal zijn. Zelfs onze zwakste bespiegelingen over het heelal prikkelen ons – er loopt een tinteling over onze rug, de stem stokt even, er is een zwakke gewaarwording als gold die een verre herinnering aan het neervallen van grote hoogte. We weten dat we het allergrootste mysterie benaderen. (Sagan 1981, 4)

In de eerste zinnen van zijn baanbrekende werk komt het woord ‘mysterie’ dus al ter sprake. En Sagan gaat nog verder. Hij benoemt de nietigheid van de mens vanuit kosmisch perspectief, waarbij hij aantekent:

En toch is onze menselijke soort jong en nieuwsgierig en dapper en veelbelovend. In de laatste millennia hebben we de verbijsterendste en onverwachtste ontdekkingen gedaan omtrent de kosmos en onze plaats daarin, verkenningen waarvan het beschouwen ons moed geeft. Ze herinneren ons eraan dat we geschapen zijn om ons te verwonderen, dat inzicht ons vreugde verschaft, dat kennis een voorwaarde is voor overleving. (4)

Wat wetenschappelijke kennis wel van ons eist is volgens Sagen ‘zowel scepsis als verbeeldingskracht’ (4). Verbeeldingskracht die de mens doet dromen en zo stimuleert om verder te komen en de grenzen op te zoeken en te overschrijden, maar daarbij ook scepsis die ons in staat stelt ‘hersenschimmen te onderscheiden van feiten en speculaties te beproeven’ (4). Sagan gebruikt daarbij het beeld van een kosmische oceaan:

Het oppervlak van de aarde is de kust van de kosmische oceaan. Hiervandaan hebben we het merendeel van onze kennis vergaard. Recentelijk hebben we enkele stapjes in zee gezet, net voldoende om onze tenen nat te maken of op zijn hoogst onze enkels. Het water schijnt te lokken. De oceaan roept. Met een deel van ons wezen weten we dat daar onze oorsprong ligt. We verlangen ernaar terug te keren. (5)

De positie van de aarde en de mens in de kosmos lijkt volstrekt onbetekenend, maar dat is voor Sagan toch niet het geval. Zo zegt hij over de aarde:

De aarde is ons tehuis, wij stammen van haar af. (…) Op deze wereld hebben we onze passie ontwikkeld voor het verkennen van de kosmos en hier zijn we bezig – met de nodige moeite en zonder waarborgen – onze bestemming uit te werken. (…) In kosmisch perspectief gezien is ze, zoals ik al heb gezegd, aangrijpend mooi en zeldzaam; maar ze is ook, voor het moment, uniek. Op heel onze reis door ruimte en tijd is het tot nu toe de enige wereld waarop, naar wij met zekerheid weten, de materie van de kosmos tot leven en tot zelfbewustzijn is gekomen. (12)

Ook elders in Cosmos spreekt Sagan over een soort heimwee naar de kosmos: ‘Iets in ons herkent de kosmos als ons tehuis. We bestaan uit de as van de sterren. Onze oorsprong en onze evolutie zijn verbonden met ver verwijderde kosmische gebeurtenissen. De verkenning van de kosmos is een ontdekkingsreis binnen onszelf’ (318). Het lot van de mens en dat van de kosmos lijken met elkaar verbonden, zo lijkt het. Dat klinkt stellig, maar let op wat hij in deze citaten zegt: dat in de mens de materie van de kosmos en daarmee de kosmos zelf tot zelfbewustzijn is gekomen. Dit is een gedachte die ook verderop in het boek nog enkele malen ter sprake komt, en waar het boek ook mee afsluit:

Want wij zijn de plaatselijke belichaming van een kosmos die tot zelfbewustzijn is gekomen. Wij zijn begonnen onze oorsprong te overdenken: opgebouwd uit sterrenstof peinzen wij over de sterren; als geassembleerde organisaties van tien miljard maal miljard maal miljard atomen beschouwen wij de evolutie van atomen en volgen spoorzoekend de weg waarlangs althans hier het bewustzijn tot leven kwam. Onze loyaliteit geldt onze soort en onze planeet. Wij zijn het die namens de aarde spreken. We hebben niet alleen jegens onszelf de verplichting om te overleven, ook jegens die oude en onmetelijke kosmos waaraan wij zijn ontsproten. (345)

Die ‘verplichting om te overleven’ heeft volgens Sagan te maken met de kosmische opdracht van de mens: ‘En totdat we elders intelligentere wezens aantreffen, blijven wij de opzienbarendste transformatie, de verre afstammelingen van de oerknal, met de opdracht het heelal waarin we onze oorsprong vonden te begrijpen en verder te transformeren’ (21). Met andere woorden, voor Sagan is het opdoen van wetenschappelijke kennis een kosmische opdracht, waarmee we de kosmos verrijken en transformeren. Hier zien we hoe bij Sagan een kosmisch perspectief wordt uitgewerkt tot wat we een religieus-naturalistisch wereldbeeld kunnen noemen, dat een mensbeeld en ethische dimensies in zich verenigt.

In 1985 sprak Sagan zijn Gifford Lectures uit aan de universiteit van Glasgow. Die lezingen werden pas in 2006 door zijn weduwe, Ann Druyan, in boekvorm uitgegeven. De titel van het boek, The Varieties of Scientific Experience, doet direct denk aan William James’ beroemdste werk, en dat is niet toevallig. Carl Sagan was geïnspireerd door James’ definitie van religie als the feeling of being at home in the Universe (Sagan 2006, xv). Het gevoel thuis te zijn in het universum kwam, zo hebben we gezien, ook al in zijn serie en boek Cosmos naar voren, en is karakteristiek voor de aan de natuur en wetenschap ontleende spiritualiteit of religiositeit die karakteristiek is voor religieus naturalisme.

In zijn Gifford-lezingen spreekt Sagan over zijn visie op wetenschap als informed worship, eredienst waarin informatie, wetenschappelijke kennis, centraal staat (Sagan 2006, 31) en hij schrijft:

Mijn diepgewortelde geloof is dat als er een god van de traditionele soort bestaat, dat onze nieuwsgierigheid en intelligentie dan door zo’n god zijn voorzien. We zouden erg ondankbaar zijn als we onze passie om het universum en onszelf te onderzoeken zouden onderdrukken. Aan de andere kant, als zo’n traditionele god niet bestaat, dan zijn onze nieuwsgierigheid en intelligentie de essentiële gereedschappen om onze overleving in extreem gevaarlijke tijden zeker te stellen. In beide gevallen is onze kennisvergaring in ieder geval consistent met natuurwetenschap; dat zou het ook moeten zijn met religie, en het is essentieel voor de welvaart van de menselijke soort. (31; vgl. Sagan 1980, 341)

Voor Sagan was wetenschap dus zelf een spirituele zaak:

In de ontmoeting met de Natuur roept wetenschap voortdurend een gevoel van eerbied en ontzag op. De handeling van het begrijpen is een viering van samengaan, van vereniging, ook al is het op een bescheiden schaal, met de pracht van de Kosmos. (…) Wetenschap is niet alleen verenigbaar met spiritualiteit; het is zelf een diepzinnige bron van spiritualiteit. Wanneer we onze plaats in een onmetelijkheid van lichtjaren en in het verglijden van eeuwen herkennen, wanneer we de ingewikkeldheid, schoonheid en verfijndheid van het leven begrijpen, dan is dat gevoel van hoog vliegen, dat gevoel van verhevenheid en nederigheid samen, zeker spiritueel te noemen. (Sagan 1996, 29)

Druyan schrijft in het voorwoord dat voor Sagan niet enige specifieke uitkomst van wetenschappelijk onderzoek heilig was, niet de feiten zijn van belang, maar wel de zoektocht ernaar. Sagan was geen militante atheïst die het ging om het bestrijden van religie op zich. Maar hij was wel een scepticus, die vooral wars was van de makkelijke antwoorden die sommige gelovigen pretenderen te kunnen geven. Hij had geen probleem met gelovigen of met religieus geloof, maar wel met de manier waarop sommige gelovigen een houding van pseudowetenschap promoten, een ‘geloof zonder bewijs’ dat niets minder dan bijgeloof is (Sagan 2006, 1). Bijgeloof dat bovendien gevaarlijke proporties kan aannemen en dan het voortbestaan van de mens bedreigt.

Hoe dan ook, een atheïst was hij zeker, tenminste in de zin dat hij een theïstische, persoonlijke God verwierp. Sagan meende dat er geen bewijzen waren voor het bestaan van een bovennatuurlijke god, maar ook dat de godsvoorstelling van de westerse theologie te bekrompen was: ‘Het is een god van een kleine wereld en niet een god van een melkwegstelsel, laat staat van een heelal’ (30). Westerse theologie ontbreekt het in de ogen van Sagan aan verbeeldingskracht en nieuwsgierigheid. En uiteindelijk aan ontzag. De goden van religies houden de mensen klein. Maar om de kleinheid van de mens in te zien, heb je de goden niet nodig, meent Sagan. Daarvoor hoef je ’s nachts alleen maar naar de sterrenhemel te kijken.

Bibliografie:

Sagan, Carl. 1980. Broca’s Brain: Reflections on the Romance of Science. New York: Random House.

—. 1981. Cosmos. Bussum/Antwerpen: Van Holkema & Warendorf & Standaard Uitgeverij.

—. 1996. The Demon-Haunted World: Science as a Candle in the Dark. New York: Random House.

—. 1997. Billions & Billions: Thoughts on Life and Death at the Brink of the Millennium. New York: Random House.

—. 2006. The Varieties of Scientific Experience: A Personal View of the Search for God. Ed. by Ann Druyan. New York: The Penguin Press.

 

Bron afbeelding:

“Carl Sagan Planetary Society” by NASA/JPL, licensed under Public Domain via Commons – https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Carl_Sagan_Planetary_Society.JPG.

, , , , , , , ,

  1. #1 door Eelco van Kampen op 3 november 2015 - 10:01

    Spiritueel: zeker. Maar religieus ? Dat zou ik hem toch niet willen noemen. Bevlogen wel.

    Sagan was trouwens niet echt een kosmoloog: zijn sterrenkunde speelde zich redelijk dicht bij de Aarde af.

  2. #2 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 4 november 2015 - 10:02

    Ik kan de atheïst Sagan ook niet als religieus. zien. Als God geen noodzakelijk religieus ingrediënt is, zou het kunnen, maar dat is m.i. een contradictio in terminis.

  3. #3 door Taede Smedes op 4 november 2015 - 10:36

    Bert,

    God is geen noodzakelijk ingrediënt voor een wereldbeschouwing om “religieus” genoemd te worden. Bijv. boeddhisme is wel een religie, maar heeft geen god. Religie is dus ook niet hetzelfde als “godsdienst”.

  4. #4 door Pietv. op 4 november 2015 - 11:37

    Religieus naturalisme zou Carl Sagan zichzelf zo hebben omschreven? In de literatuur duikt de term agnost op met een sterke afkeer van godsbeelden en de cultus er om heen.

  5. #5 door Eelco van Kampen op 4 november 2015 - 11:40

    Misschien geen god / God, maar wel een ‘hogere macht’. Die zie ik bij Sagan niet zo …

  6. #6 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 4 november 2015 - 17:04

    Thaede,

    Zowel spiritualiteit als religie gaan er blijkbaar van uit dat systematisch empirisch wetenschappelijk onderzoek niet de gehele werkelijkheid kan blootleggen, want anders zou daar geen behoefte aan zijn.
    Misschien zoekt spiritualiteit naar antwoorden vanuit en binnen de eigen belevingswereld, en is er bij religie een besef dat die antwoorden daarbuiten gevonden moeten worden en blijkbaar mogelijk bij God en/of de bovennatuur.
    Wanneer de empirische wetenschap spreekt dan luistert de Boedhist (en ik ook) maar dat geldt niet bepaald voor alle beoefenaars van spiritualiteit of religie.
    Misschien kun je eens uitleggen wat het verschil tussen spiritualiteit en religie volgens jou is.

  7. #7 door Michiel de Wit op 5 november 2015 - 10:34

    ‘Alles wat er is of ooit is geweest of ooit zal zijn’, dat zijn attributen die gelovigen toeschrijven aan God. Sagan schrijft deze toe aan de kosmos, het universum. Daarmee zou je zijn visie pantheïstisch kunnen noemen (‘Deus sive natura’ zei Spinoza), en daarmee ‘religieus’. (Maar dat is idd afhankelijk van hoe je die term definieert.)
    Zie overigens: http://religiousnaturalism.org/authors/ en http://www.pantheism.net/paul/index.htm
    en het hiernavolgende citaat van Sagan.
    A religion old or new, that stressed the magnificence of the universe as revealed by modern science, might be able to draw forth reserves of reverence and awe hardly tapped by the conventional faiths. Sooner or later, such a religion will emerge.
    Carl Sagan, Pale Blue Dot (1994)

  8. #8 door Michiel de Wit op 5 november 2015 - 10:37

    A religion old or new, that stressed the magnificence of the universe as revealed by modern science, might be able to draw forth reserves of reverence and awe hardly tapped by the conventional faiths. Sooner or later, such a religion will emerge.
    Carl Sagan, Pale Blue Dot (1994)
    Zie http://www.pantheism.net/paul/index.htm
    en http://religiousnaturalism.org/authors/

  9. #9 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 5 november 2015 - 17:46

    Michiel de Wit,

    Nu je Sagan citeert, begint het me inderdaad weer te dagen. Echter lijkt mij hier het begrip religie in dezelfde betekenis gebruikt te worden als Einstein dat deed. Ook waar Spinoza het over God had, had hij het blijkbaar over de natuur, niet verwonderlijk wanneer je als godloochenaar je nek riskeerde. Msschien ook niet verwonderlijk dat Einstein en Sagan het over religie hadden als ze het over de natuur hadden. Zij hoefden weliswaar niet voor hun leven te vrezen, maar al te openlijk atheïsme van publieke figuren valt niet goed in de VS en zeker niet in de tijd van Sagan en Einstein en er zijn precedenten dat dit ook nu nog tot repercussies kan leiden. Ik blijf zo mijn twijfel hebben of je godloze religiën wel als zodanig mag bestempelen. Het Boedhisme mag dan misschien als religie geboekstaafd zijn, maar dat lijkt mij aan een wat gemakzuchtige indeling van wereldbeschouwingen te wijten.

  10. #10 door Nesci Mus op 5 november 2015 - 23:11

    Complimenten voor het stuk! Ik heb het met plezier gelezen. Als je religie als term losweekt van zijn gebruikelijke invulling, namelijk godsdienst, en het invult zoals Sagan dat deed (religare: verbinden) dan lijkt me dat Sagan’s uitspraken best religieus genoemd kunnen worden (Einstein deed i.d.d. ook soortgelijke uitspraken: “The most beautiful thing we can experience is the mysterious. It is the source of all true art, all science and religion”). Mooi vond ik ook te citaat waarin Sagan de kosmos vergelijkt met de oceaan. “De oceaan roept. Met een deel van ons wezen weten we dat daar onze oorsprong ligt. We verlangen ernaar terug te keren.” Het is volgens mij dit verlangen dat de kern vormt van alle religies, zij het dat wat Sagan als groot mysterie zag, door godsdiensten wordt ingevuld met een persoonlijke god, allah, jaweh en ga zo maar door. Het Boeddhisme (en ook het Taoïsme) doen dat niet. Met name het zenboeddhisme wijst voortdurend op dat mysterie, zonder daar maar ook enige invulling aan te geven. Het laat dit mysterie intact, maar biedt via meditatie wel een manier om je met dit mysterie te ‘verbinden’ en je te laten inzien (of beter: invoelen) dat je daar onderdeel van bent. Ik zie dan ook veel overeenkomsten met de uitspraken van Sagan.

  11. #11 door Michiel op 6 november 2015 - 00:15

    Bert, ivm definiëring godsdienst-religie, misschien dit eens lezen?
    P. Smits, Veranderend wereldbeeld, mensbeeld, godsbeeld. (Van Gorcum, Assen; 1981)

  12. #12 door Bert Morrien (@bertmorrien) op 6 november 2015 - 09:22

    Michiel,

    Ik wil best aannemen dat religie geen God vereist, dat is het punt niet, ofschoon voor veel gelovigen een persoonlijke God daarin de essentie vormt. Wat Boeddhisten over hun wereldbeschouwing zeggen is mogen zij zelf bepalen. Zie bv. de volgende link.
    http://buddhism.about.com/od/basicbuddhistteachings/a/philosophy.htm
    We kennen allemaal wel mensen die hun geloof op een wijze beleven die veel op new-age lijkt en uit persoonlijke ervaring weet ik dat dit ook onder Boeddhisten voorkomt. Wat daarin nog aan ‘verbinding’ te vinden is ontgaat mij, het lijkt meer op magie. Het geloof van die mensen staat diametraal tegenover de wereldbeschouwing van Spinoza, Einstein en Sagan, die getuigden van hun diepe verbondenheid met de natuur. Ikzelf beschouw mij als een stukje kosmos dat zichzelf zo nu en dan in die kosmos herkent en het kan mij weinig schelen welke term voor deze houding van toepassing is.

%d bloggers op de volgende wijze: