Luc Ferry en Marcel Gauchet over het religieuze na de religie (deel 2)

Vorige week las ik het boek Religie na de religie: Gesprekken over de toekomst van het religieuze van Luc Ferry en Marcel Gauchet (Kampen: Klement / Kapellen, België: Pelckmans 2005, 2e druk 2008). Ik bespreek in deze reeks van drie blogbijdragen een aantal punten uit dit boek.

Gisteren heb ik het boek kort ingeleid en heb ik laten zien hoe Ferry en Gauchet ‘het religieuze’ onderscheiden van religie. Maar wat verstaan beide heren onder ‘het religieuze’? Vandaag behandel ik Ferry’s opvatting van ‘het religieuze’ zoals hij die op verschillende plekken in het boek uiteenzet. Het is dus mijn voorzichtige reconstructie van Ferry’s positie.

(Bron afbeelding: Bol.com.)

Het religieuze bij Luc Ferry

Ferry definieert ‘het religieuze’ filosofisch en metafysisch ‘als niets anders dan een vertoog over de band tussen het eindige en oneindige, tussen het relatieve en het absolute, met als centraal vraagstuk dat van de eindigheid of om het duidelijk te zeggen, dat van de dood’ (24). En dat religieuze verdwijnt niet zomaar als religie verdwijnt. Zo meent Ferry dat de Westerse filosofie het best begrepen kan worden ‘als een poging om de grote religieuze verhalen, uiteraard te beginnen met het christendom, te vertalen in rationele termen, dus in termen die uit hun aard profaan zijn (25; cursief in origineel). Dus de rationalisering van de Westerse filosofie is volgens Ferry een uitdrukking van het religieuze zoals hij dat opvat.

Maar er is meer, want: ‘Men kan bijvoorbeeld het religieuze ook ontdekken in volkomen autonome ervaringen, die Erlebnisse of geleefde ervaringen waarover met name Husserl gesproken heeft. Of men zou beter kunnen zeggen dat het religieuze verschijnt als de horizon van de menselijke ervaringen…’ (26-27, cursief in origineel).

Het religieuze als ‘horizon’ van menselijke ervaringen beschrijft Ferry door middel van de term ‘transcendentie’. Maar het gaat dan niet om transcendentie opgevat als een ontologische ‘bovenverdieping’ op de immanente werkelijkheid (zoals in het traditionele theïsme). Zo’n ontologische ‘dubbeldekkerstructuur’ van de werkelijkheid is ongeloofwaardig geworden. Het gaat dan om wat Ferry noemt transcendentie in de immanentie, ‘een transcendentie die het menselijk bewustzijn niet te boven gaat, maar die integendeel van menselijke ervaringen uitgaat, die dus niet structureel in het verleden verankerd is, doch eerder in de toekomst’, ‘dat wil zeggen de onontkoombare horizon van onze geleefde ervaringen’ (28-29).

In het bijzonder ziet Ferry transcendentie op het vlak van de waarheid, de moraal, de esthetiek en de liefde (door Ferry opgevat als philia of agapè: naastenliefde). Die ‘transcendentie in de immanentie’ is volgens Ferry de hedendaagse locus waar het religieuze gevonden kan worden:

Anders gezegd, het religieuze behoort niet langer tot de orde van de heteronomie, van de radicale afhankelijkheid, maar tot de orde van de transcendentie in de immanentie. Het vormt niet langer de basis van de moraal, het staat niet los van de mensheid, maar het is datgene waar de moraal naar streeft, en het moet worden gedacht vanuit de autonomie van individuele ervaringen. (32)

Dit zijn lastige ideeën die door Ferry niet heel adequaat worden uitgelegd, omdat hij dat al elders (namelijk in zijn boek De god-mens of de zin van het leven) heeft gedaan. Waar het Ferry in elk geval om gaat, is dat ‘het religieuze’ in de toekomst ligt, het is datgene waar de moraal naar streeft. Het lijkt dus ook teleologisch van aard, ofschoon Ferry die term niet gebruikt.

Vandaar dat hij ‘het religieuze’ met Husserl een ‘horizon’ noemt, en niet langer – zoals bij traditioneel opgevatte religie – als een ‘grondslag’ voor de moraal (70). Als religie de grondslag voor de moraal zou vormen, zou religie er eerst zijn, en dan pas de moraal. Bij Ferry is het andersom: het religieuze is de horizon van de moraal; de moraal loopt uit op het religieuze.

De moraal wordt voor Ferry ‘als zuiver menselijk’ ervaren en behoort heden ten dage ‘tot de sfeer van de autonomie’, maar met Kant erkent Ferry wel dat er een ruimte geopend wordt ‘aan gene zijde van de moraal, en dat is wel degelijk die van het religieuze’ (70). Maar ook al hoort de moraal tot het zuiver menselijke, Ferry en Gauchet zijn beide wars van biologistische en sociobiologische verklaringen van moraal of gedrag. Het reductionisme van dergelijke verklaringen – ik kom er zodadelijk op terug – hebben volgens beide veel weg van wat Heidegger de ‘onto-theologie’ noemde.

Ferry ziet dus een ruimte aan gene zijde van de moraal, die hij ‘het religieuze’ noemt. Sterker nog, Ferry durft daarbij te spreken over ‘het goddelijke’:

Toch is de vraag van de filosofen essentieel in deze kwestie: wat is God? Omdat ik er absoluut niets van weet, spreek ik over het goddelijke, dat wil zeggen dat gevoel van het absolute in velerlei gestalten dat ik ontdek in relatie tot waarden waarvan ik steeds moet herhalen, ik kan het ook niet helpen, dat ik ze zelf uitgevonden noch gemaakt heb, of dat nu op het terrein van de waarheid is of op dat van de moraal, de cultuur of de liefde. Een negatieve theologie, zo men wil, geïncarneerde waarden waarvan de oorsprong mij ontgaat, maar waarvan de materialistische verklaringen mij daarom niet kunnen bevredigen, omdat zij in wezen nog theologisch zijn![i] (67-68)

Ferry heeft het dus niet over ‘God’, maar over ‘het goddelijke’. Het gaat om een ervaring van iets absoluuts dat we ontmoeten, waar we dus niet omheen kunnen en dat aanspraak maakt op ons. Het gaat om waarden waarvoor we ons gesteld zien.

Maar deze ‘gegevenheid’ van waarden, betekent dat totale autonomie een illusie is. De mens moet uiteindelijk erkennen dat die waarden iets absoluuts hebben waarover ze geen zeggenschap hebben. Waarden verbinden mensen, schrijft Ferry, hebben een mysterieuze oorsprong, zijn heilig en kunnen dus ook van de mensen een offer vragen. Zoals Ferry schrijft: ‘menselijke wezens hebben nooit waarden gefabriceerd, tegenwoordig net zo min als vroeger. Autonomie heeft niets te maken met het fabriceren van waarden’ (75). Gauchet is het hier overigens volledig mee eens: ‘men kan geen waarden fabriceren. Autonomie betekent het maken van wetten die ten dienste van deze waarden staan’ (77). Autonomie zonder heteronomie is dus een illusie.

Waarden, zoals bijvoorbeeld de rechten van de mens, worden volgens Ferry ontdekt:

ik ontdek ze als iets dat zich aan mij oplegt in zijn eigen samenhang, gestrengheid en, als ik dit zo mag zeggen, hardheid. Daarvandaan stamt, inderdaad, de vorm van heiligheid die hen eigen lijkt te zijn, deze belichaming van iets onzienbaars in het zienbare, dat ik ontvang als iets van goddelijk karakter. (76)

Elders schrijft hij dat waarden ‘heilig’ zijn (waarbij Ferry ‘heilig’ beschouwt als ‘deze belichaming van iets onzienbaars in het zienbare, dat ik ontvang als iets van goddelijk karakter’ (76)),

in deze zin dat dit onzichtbare ‘niet-zijnde’ dat door dit aardse absolute belichaamd wordt, ons gebiedt om boven onze individualiteit uit te stijgen en zelfs, in voorkomende gevallen, ons bestaan op het spel te zetten – waarom ik inderdaad denk dat het geen louter woordenspel is om van het heilige (le sacré) naar het offer (le sacrifice) te gaan. (72)

Waar het heilige aanwezig is, is het offer dus nooit ver weg. We zien dus hoe Ferry allerlei traditioneel klinkende begrippen gebruikt om de blijvende aanwezigheid van het religieuze in onze samenleving aan te duiden. Maar wat zegt Gauchet daarvan?

Morgen het slot: Het religieuze volgens Marcel Gauchet


[i] Ferry bedoelt met de opmerking dat materialistische verklaringen van waarden ‘theologisch’ zijn, dat ze gevangen zitten in wat Heidegger de ‘onto-theologie’ noemde: de zoektocht naar een definitieve grondslag. Zoals vroeger God de definitieve grondslag vormde, zo leveren vandaag de dag natuurwetenschappelijke verklaringen die grondslag. Volgens Ferry (en Gauchet beaamt dit) blijft het onderliggende denkschema daarbij ongewijzigd, namelijk dat van de onto-theologie.

, , , , , , , , , , , , , , ,

  1. Luc Ferry en Marcel Gauchet over het religieuze na de religie (deel 3, slot) | Taede A. Smedes

Praat mee en geef hieronder je reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: