Artikelen getagd met conflict tussen geloof en wetenschap

RU-hoogleraar Heino Falcke zegt zinnige dingen

Na alle retorische bombast van de afgelopen dagen staat er eindelijk een verfrissend goed interview in Trouw met Heino Falcke, hoogleraar astrodeeltjesfysica en radioastronomie aan de Radboud Universiteit en Spinozapremiewinnaar, en lekenpredikant (en nee, ik heb hem nog niet ontmoet). In het interview zegt hij zinnige dingen, die mijns inziens grotendeels de angel uit de discussies van de afgelopen dagen halen. Met name de uitspraak in de inleiding vind ik er eentje om in te lijsten of op een tegeltje te zetten:

Een christelijke bakker bakt toch ook geen christelijk brood? Je hebt christelijke wetenschappers, maar zij maken geen christelijke wetenschap.

Lees hier het hele interview: http://www.trouw.nl/tr/nl/5091/Religie/article/detail/3409992/2013/03/15/Wetenschap-beantwoordt-niet-alles.dhtml.

, , , , , ,

137 reacties

Nog éénmaal Edgar Andrews: “Wie heeft God gemaakt?”

Eddy Maatkamp, de uitgever van Andrews’  Wie heeft God gemaakt? Op zoek naar een allesverklarende theorie is zeer slecht te spreken over mijn eerdere beknopte boekrecensie. Hij meent dat ik het boek niet gelezen heb en Andrews geen recht doe. Hieronder een uitgebreide bespreking van het boek van Andrews, met veel citaten zodat Andrews’ eigen positie zo goed mogelijk naar voren komt en zodat iedere lezer van dit blog zelf zijn/haar gedachten over de strekking van dit boek en mijn interpretatie ervan kan laten gaan. Dit is de laatste blog die ik aan het boek van Andrews ga besteden.

Lees de rest van dit artikel »

, , , , , , , , ,

37 reacties

Edgar Andrews: Wie heeft God gemaakt? Een kritische boekbespreking

Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Who Made God? Searching for a Theory of Everything (Evangelical Press 2010) van de Britse wetenschapper Edgar Andrews. Het boek komt niet uit bij een reguliere uitgeverij, maar bij Uitgeverij Maatkamp (http://uitgeverij.eddymaatkamp.nl), aan de website te zien een tamelijk fundamentalistisch ingestelde uitgeverij onder leiding van Eddy Maatkamp. Het is helaas een boek dat de aanschaf en het lezen niet waard is.

Update, 04/05/2012: Een uitgebreide bespreking en kritiek van het boek is nu HIER (nieuwere blogbijdrage) te vinden. Onderstaande bespreking kan als conclusie van die bespreking worden beschouwd.

Lees de rest van dit artikel »

, , , , , , ,

73 reacties

Cees Dekker wint de Reijer Hooykaasprijs–is dat goed nieuws voor geloof en wetenschap in Nederland?

Via Twitter (zie HIER en HIER) vernam ik zojuist dat de Delftse wetenschapper Cees Dekker – voor velen nog bekend (of berucht) vanwege zijn positieve verhouding tot Intelligent Design en later vanwege zijn “bekering” tot theïstische evolutie – de Reijer Hooykaasprijs gewonnen heeft. Volgens een van de tweets van Martine van Veelen is Dekker daarmee “de meest inspirerende christelijke wetenschapper van de afgelopen jaren”. Ofschoon ik Dekker uiteraard feliciteer bij deze erkenning, zet ik in meer algemene zin toch mijn vraagtekens bij deze nominatie. Ik vrees namelijk dat de wijze van opereren van ForumC momenteel het debat over geloof en wetenschap alleen maar meer polariseert. Een kritisch essay…

Lees de rest van dit artikel »

, , , , , , , , , , , , , ,

25 reacties

Jesse Bering – “The God / Belief Instinct” (deel 1)

Bestaat God echt, of is God een illusie die door ons brein wordt geproduceerd?

Dat is de kwestie die in het nieuwe en buitengewoon fascinerende boek van Jesse Bering, The God Instinct (in Amerika: The Belief Instinct) aan de orde is. In de komende dagen ga ik in een aantal lange blogbijdragen dit hele boek door en geef ik mijn visie erop. Vandaag bijt ik het spits af met een uitgebreide inleiding.


Jesse Bering, The God Instinct: The Psychology of Souls, Destiny, and the Meaning of Life. London: Nicholas Brealey / New York: W.W. Norton 2011. xiii, 252 pp. 


INLEIDING 

Sinds de Verlichting is religie steeds meer onder vuur komen te liggen, en is er geprobeerd om de menselijke drijfveren van religie te verklaren, zodat daarmee religie ontluisterd kon worden. In de 18e en 19e eeuw werd het idee populair dat religie met name een troostende functie had door angst voor de dood, pijn en lijden te ontkrachten. Sinds Darwin echter wordt ook steeds meer gepoogd om religie te verklaren als evolutionair fenomeen, dus op basis van natuurlijke selectie. Beide soorten verklaring sluiten elkaar niet uit, en kunnen elkaar zelfs aanvullen.

Van Hume tot Freud

De grondlegger van het idee dat religie een troostende functie heeft, is David Hume (1711-1776). In zijn werk The Natural History of Religion uit 1757 betoogt hij dat religie allerlei angsten die mensen hebben weet te ontkrachten. Daarmee is religie ook irrationeel, volgens Hume, want het drijft op emoties en het is inconsistent (zo draagt het monotheïsme nog polytheïstische trekken in zich). Ludwig Feuerbach (1804-1872) betoogde dat religie de projectie van met name positieve menselijke eigenschappen op een Opperwezen is. Door die projectie houden mensen zichzelf en anderen klein; door geloof in God vervreemdt de mens van zichzelf. Als mensen de projectie zouden doorzien, zouden ze zien dat de goddelijke attributen eigenlijk henzelf toekomen. Met het sterven der goden zouden mensen waarlijk mens worden. Karl Marx (1818-1883) neemt dit idee van Feuerbach over en stelt dat juist doordat religie de mens van zichzelf vervreemdt, het een onderdrukkend instrument is van het Kapitalisme. Het is een ideologie. Het werkt als opium: het houdt de mens klein, maar tegelijkertijd biedt het ook een troost zodat de mens niet uit de roes wil ontwaken.

Sigmund Freud (1856-1939), ten slotte, meende in Die Zukunft einer Illusion uit 1927 dat religie drie soorten angst onschadelijk maakt: angst voor de natuur (want die is eigenlijk goed, het is Gods schepping), angst voor andere mensen (want onrecht dat wordt aangedaan wordt na de dood vergolden) en angst voor de dood (want de dood is slechts het portaal tot het eeuwige leven). Religie is dus voor Freud ook troostend, en het werkt stabiliserend in een samenleving, aangezien angst ook een bakermat is voor geweld. Toch is voor Freud religie ook pathologisch: het is een infantiele obsessieve neurose. Infantiel, want God is uiteindelijk slecht een uitvergrote vaderfiguur; obsessief, want het neemt alle aandacht in beslag, en de gelovige laat zijn/haar hele leven erdoor beïnvloeden; en het is neurotisch, omdat religie uiteindelijk slechts wensdenken is over hoe de werkelijkheid in elkaar zou zitten, en iets voor waar aanneemt waarvoor geen enkel bewijs voorhanden is. Religie voor Freud is neurotisch wishful thinking.

Evolutionaire benaderingen van religie

De evolutionaire benaderingen van religie ontkennen niet dat religie een troostende functie heeft, maar vindt dat idee toch te simplistisch. Het mag zo zijn dat religie troostend werkt, maar dat is slechts een proximate cause. Het verklaart welke functie religie heeft, maar niet hoe religie ontstaan is. De evolutionaire verklaring zoekt naar een ultimate cause, dus naar de vraag waar religie in de eerste plaats vandaan komt. Evolutionaire benaderingen stellen dat natuurlijke selectie hierin een centrale rol moet spelen. Met andere woorden: religie moet een adaptieve functie hebben, een functie die bovendien het overleven van de menselijke soort op een of andere manier heeft bevorderd, anders is het niet duidelijk waarom religie zolang heeft overleefd. Sommige evolutionaire benaderingen, zoals die van David Sloan Wilson, stellen dan ook dat religie zelf een adaptatie is, bijvoorbeeld doordat het de groepscohesie bevordert. Er zijn echter anderen, waaronder Richard Dawkins, Daniel Dennett, die stellen dat religie wellicht een bijproduct is van een adaptatie. De vraag is nu – en dit is waar de cognitieve religiewetenschappen hun insteek nemen – van welke adaptatie is religie een bijproduct?

The God Instinct

Onlangs verscheen het boek The God Instinct (in Amerika in februari uitgekomen als The Belief Instinct), van de Amerikaans-Britse psycholoog Jesse Bering, waarin die laatste vraag centraal staat en door Bering met grote stelligheid van antwoord wordt voorzien. In april 2011 verschijnt dat boek in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Ik heb het Engelse origineel bestudeerd en in wat volgt geef ik daarvan een uitgebreide samenvatting, aangevuld met een kritische evaluatie van de centrale ideeën.

Jesse Bering is van oorsprong Amerikaan en op dit moment de directeur van het Institute of Cognition and Culture aan Queen’s University, Belfast. Hij is een evolutionair psycholoog en een van de onderzoekers van het Explaining Religion Project. Daarnaast schrijft hij wekelijks een column voor Scientific American, met als titel Bering in Mind. Dit boek is zeer goed geschreven. Bering schrijft concreet en beeldend, verwijst regelmatig naar literatuur en soms naar filosofie. Dit neemt alles niet weg dat er ook wel wat op dit boek is aan te merken, maar dat bewaar ik tot de kritische evaluatie aan het slot. De paginaverwijzingen in mijn samenvatting verwijzen naar de Engelse editie.

Het is goed dat een boek als dat van Bering in het Nederlands vertaald wordt, want dit is een van die boeken die een goed overzicht geven van wat er allemaal op het gebied van de cognitive study of religion (CSR, eventueel te vertalen als cognitieve religiewetenschappen) te doen is. Berings boek is een mengeling van psychologie, cognitiewetenschappen, en een vleugje antropologie. Er komt ook wel eens wat filosofie om de hoek kijken. Zo is Bering duidelijk geïnspireerd door het denken van Sartre.

Een atheïstisch manifest

Maar toch is dit boek met name een atheïstisch manifest. Zoals uit mijn samenvatting wel duidelijk zal worden, meent Bering dat met name de CSR goede argumenten geven om te denken dat God een illusie is die door ons brein is ontwikkeld. God is volgens Bering een “adaptieve illusie”. Meent Richard Dawkins dat het accepteren van de evolutietheorie de koninklijke weg is om atheïst te worden, Bering prefereert de cognitieve religiewetenschappen. Dit betekent dus dat dit boek niet louter een samenvatting is van wat de CSR aan data hebben opgeleverd over de evolutionaire en cognitieve geworteldheid van religieus geloof, maar dat dit ook een pamflet is waarin Bering probeert mensen te laten zien op grond van de CSR dat het geloof in God of goden illusoir is, in wezen net zo erg als bijgeloof.

Ik denk dat Berings boek daarmee gevaarlijker is dan bijvoorbeeld The God Delusion van Richard Dawkins. De retoriek van Dawkins is zo weinig subtiel en hij argumenteert bovendien zo belabberd, dat je dat boek betrekkelijk gemakkelijk kunt wegleggen. Dat is bij Berings boek veel minder het geval. Bering bedient zich ook van hele karrevrachten vol retorische trucs, maar zijn argument is uiteindelijk veel subtieler en werkt daardoor overtuigender. Niettemin denk ik dat er heel wat vraagtekens bij Berings boek en zijn atheïstische conclusies te stellen zijn. Ik denk dat de soep lang niet zo heet wordt gegeten als door Bering wordt opgediend. Maar daarover later meer.

, , , , , , , , ,

9 reacties

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken (5/5)

Er valt nog veel meer over het boek te vertellen, want ik heb tot nu toe slechts de hoofdlijnen van de eerste helft van het rijke en verrassende boek samengevat. Maar ik raad een ieder aan om het boek zelf te gaan lezen – het is de moeite waard. Er zitten nog hoofdstukken in over hoe wetenschappers aankijken tegen religion in the classroom, over hoe seculier een universiteit moet zijn, en hoe ze aankijken tegen de opkomende religiositeit onder studenten op universiteitscampussen. Ook komt Ecklund met een lijst van waarschuwingen en aanbevelingen. Ten slotte is er een hoofdstuk over allerlei misvattingen over zowel religie als wetenschap die in haar onderzoek worden ontluisterd. In een aantal appendices wordt dieper op de methodologische aspecten van het onderzoek ingegaan (en kun je de hele vragenlijst terugvinden).

Een van de opvallende zaken die uit het boek naar voren komen is dat vrijwel alle wetenschappers de noodzaak inzien van een gesprek over de verhouding tussen geloof en wetenschap. Religie is nu eenmaal een gespreksonderwerp geworden vanwege externe invloeden (wat Ecklund noemt conditions of environmental push, die positief of negatief kan zijn (81-84)). Met name de niet-religieuze wetenschappers beschouwen religie als een grote bedreiging voor vrije wetenschapsbeoefening. In de Amerikaanse context is dat begrijpelijk. Veel Amerikaanse onderzoeksinstituten worden door particulier geld bekostigd. Als de druk vanuit de (religieuze) samenleving op (bepaalde takken van) wetenschap toeneemt, kan het gebeuren dat de geldkraan langzaam wordt dichtgedraaid omdat de geldschietende instanties bang worden voor de publieke druk. Onder de regering-Bush was dit bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar bij het stamcel-onderzoek. Wetenschap kan een speelbal van de politiek worden. En als politiek en religie vermengd raken, ontstaat er een behoorlijk explosief mengsel. In Europa is dit, vermoed ik (of hoop ik), nog niet zo aan de orde, hoewel de trend in de wetenschap wel is om steeds meer naar Amerikaans model te opereren.

Alle wetenschappers die Ecklund ondervroeg waren het dus eens over de noodzaak om religie serieus te nemen, maar hoe pak je dat aan? Ecklund geeft al aan dat één van de belemmeringen voor een dialoog over de verhouding tussen geloof en wetenschap precies de angst is dat religie een bedreiging vormt voor wetenschap. Niet alleen zorgt een dergelijke angst ervoor dat er nogal negatief over religie wordt gesproken. Ecklund noemt hem niet, maar Richard Dawkins is hiervan een mooi voorbeeld. Dawkins ziet creationisme als een grote bedreiging voor de samenleving. Zijn reactie is dan om religie zo zwart mogelijk te maken, met als gevolg dat de dialoog met gelovigen volledig wordt platgeslagen. Niemand wint iets bij een dergelijke benadering, de loopgraven worden alleen maar verder uitgediept. Een us versus them mentality levert niets op. Tegelijkertijd, stelt Ecklund, laat een dergelijke strategie ook zien dat wetenschappers zich nogal onzeker voelen over hun eigen capaciteiten om het grote publiek te bereiken. Er zijn dus twee hobbels die overwonnen moeten worden: de angst voor religie en de eigen onzekerheid in het publieke debat.

Ecklund wijst vervolgens op de fouten die wetenschappers in de communicatie met het brede publiek kunnen begaan. Let wel: Ecklund zelf wijst die fouten niet aan, zij beschrijft alleen wat de ondervraagde wetenschappers hebben aangegeven als fouten die collega-wetenschappers kunnen maken. Allereerst stelden de wetenschappers dat het verkeerd is om je op te sluiten in de eigen laboratoria:

Public-minded scientists criticized thier colleagues, in particular, for being focused too much on “just doing science” rather than seeing as part of their job the spreading of sciencce to a broader public, particularly a religious one. (…) A minority of the scientists I interviewed crticized their colleagues in a general sense for doing little to interact with the local and national communities outside their universities. They feel that scientists talk mainly to one another about issues of public science, leaving them with little direct familiarity with members of the public and little ability to relate to those outside of academia, especially when important religion-and-science issues come to the fore. (131)

Een deel van de problemen met de communicatie met de Amerikaanse samenleving, zo stelt Ecklund, heeft ook te maken met de pluralistische wetenschappelijke gemeenschap:

nearly 28 percent of natural scientists and 25 percent of social scientists are first- or second-generation immigrants. And about 16 percent of each group are not U.S. citizens. Cultural barriers and lack of experience with American religion make it much more difficult for them to get involved in U.S. plitics or to be advocates for public science. (132)

Maar wat zouden wetenschappers dan beter kunnen doen? Ecklund noemt drie manieren waarop wetenschappers hun communicatievermogen zouden kunnen oppoetsen.

Ten eerste het erkennen van religieuze diversiteit: “The first stage of effectively engaging religion and science, then, is to recognize the diversity in religious thought and practice. Just as not alle biologists study the same biological system, not all religious people have the same beliefs or apply their beliefs in the sam way.” (133) Ecklund wijst erop dat veel niet-religieuze wetenschappers hun “kennis” over religie halen uit de voorpagina’s van de New York Times of USA Today. In hun beleving staat alle religie gelijk aan blank, protestants fundamentalisme. Het gaat er dus om dat ook wetenschappers leren kijken beyond the headlines.

Ten tweede moeten wetenschappers openlijk erkennen dat wetenschap beperkt is. Nogal wat ondervraagde wetenschappers ergerden zich aan scientism van hun collega’s, “a disciplinary imperialism on the part of scientists that leads them to explicitly or implicitly assert that science is the only valid way to knowledge and that it can be used to interpret all other forms of knowledge.” (137) Een geïnterviewde wetenschapper stelt dat vooral aan het grote publiek duidelijk moet worden gemaakt dat “science [should] not pretend to be able to solve spiritual or ethical problems and not pronounce on things that it has no authority to pronounce on.” (138)

Ten slotte zouden wetenschappers zich moeten bekwamen in active engagement. Wetenschappers moeten zelf actief werken aan een dialoog met gelovigen en religieuze gemeenschappen. Ze moeten communiceren met de media. Ze moeten religieuze uitdagingen van theorieën als de evolutietheorie actief aan de orde stellen. Met andere woorden, stel je als wetenschapper niet defensief op, maar ga juist actief de uitdaging van het open gesprek aan.

*****

Ik wil mijn bespreking van Ecklunds bevindingen vandaag afsluiten met een paar meer persoonlijke, kritische opmerkingen en vragen die tijdens het lezen van Ecklunds boek bij mij bovenkwamen.

Allereerst: Ecklund maakt geen onderscheid tussen disciplines. Zij duidt met science zowel sociale wetenschappen als natuurwetenschappen aan (zie ook pagina 10-11). Daarbij worden de disciplinaire verschillen uitgewist. Zo vroeg ik me af: klopt het, zoals vaak wordt beweerd, dat biologen over het algemeen atheïstischer zijn dan andere wetenschappers? Klopt het ook dat kwantumfysici juist over het algemeen weer religieuzer zijn dan andere wetenschappers? En hoe zit het bijvoorbeeld met het verschil tussen natuurwetenschappers en sociale wetenschappers? Je leest vaak dat sociale wetenschappers over het algemeen relativistischer en atheïstischer zijn dan natuurwetenschappers (bijvoorbeeld door de invloed van postmodernistische en constructivistische modes waardoor sociale wetenschappers alles tot menselijke constructies reduceren). Maar klopt die bewering? Aan deze vragen gaat Ecklund in haar boek volledig voorbij.

Een andere vraag betreft het atheïsme. Het merendeel van de wetenschappers is atheïst, zo komt ook in dit onderzoek weer naar voren. Nu stellen de atheïstische wetenschappers zelf meestal dat ze atheïst waren voordat ze wetenschapper werden. Een causaal verband van wetenschap naar atheïsme kan dus niet zo eenvoudig gelegd worden. Toch is het een interessant fenomeen. Waarom zijn er zoveel atheïsten die wetenschapper worden? Waarom is wetenschap zo aantrekkelijk voor vooral atheïsten? Is dat alleen een Amerikaans verschijnsel? Dat wil zeggen, is er voor atheïsten in de Amerikaanse samenleving zo weinig speelruimte dat wetenschap de enige manier is om toch een publieke rol van betekenis te kunnen spelen? Of spelen andere factoren een rol? Ook dit zijn vragen die door Ecklunds onderzoek worden opgeroepen, maar niet verder worden behandeld.

En dan ten slotte: doet theologie er nog toe? Het hele woord “theologie” komt bij mijn weten in het boek niet voor. Wat voor rol kunnen theologen spelen? Of staan theologen vooral aan de kantlijn en is science and religion vooral een spel dat door natuurwetenschappers zelf gespeeld wordt?

Het zijn allemaal vragen die schreeuwen om verdere verdieping. Ik hoop dat we daarom in de toekomst nog veel van Ecklund en haar onderzoek zullen horen. En dat andere sociale wetenschappers, bijvoorbeeld in Nederland, het initiatief zullen overnemen en een dergelijk onderzoek ook in Nederland zullen opstarten.

=== P.S. eventuele reacties zullen in de loop van zaterdag pas kunnen worden goedgekeurd en geplaatst ===

, , , , , ,

115 reacties

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken – weblinks

De afgelopen weken zijn er op het Internet al veel besprekingen van Ecklunds onderzoek verschenen. Hieronder geef ik, voor wie daar interesse voor heeft (en zonder enige volledigheid te willen claimen), een aantal weblinks naar interessante artikelen, video’s, interviews, etc. over Ecklunds Science Vs. Religion: What Scientists Really Think:

Website van Ecklund.

Een uur-lang interview (video) met Ecklund, waar ze haar motieven, methoden, etc. uitlegt.

Artikel in Newsweek.

Evolutionblog. (Met dank aan Gerdien.)

Beliefnet.

Scientific Blogging.

ABC News.

Point of Inquiry: je kunt hier een MP3-file downloaden met een uur lang interview met Ecklund door schrijver Chris Mooney; zie ook het blog van Mooney HIER.

Op Science + Religion Today:

http://www.scienceandreligiontoday.com/2009/08/14/how-religious-people-misunderstand-scientists/

http://www.scienceandreligiontoday.com/2010/04/12/how-scientists-really-feel-about-religion/

http://www.scienceandreligiontoday.com/2010/05/18/studying-science-doesnt-make-you-an-atheist/

, , , , , , ,

1 reactie