E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken (5/5)

Er valt nog veel meer over het boek te vertellen, want ik heb tot nu toe slechts de hoofdlijnen van de eerste helft van het rijke en verrassende boek samengevat. Maar ik raad een ieder aan om het boek zelf te gaan lezen – het is de moeite waard. Er zitten nog hoofdstukken in over hoe wetenschappers aankijken tegen religion in the classroom, over hoe seculier een universiteit moet zijn, en hoe ze aankijken tegen de opkomende religiositeit onder studenten op universiteitscampussen. Ook komt Ecklund met een lijst van waarschuwingen en aanbevelingen. Ten slotte is er een hoofdstuk over allerlei misvattingen over zowel religie als wetenschap die in haar onderzoek worden ontluisterd. In een aantal appendices wordt dieper op de methodologische aspecten van het onderzoek ingegaan (en kun je de hele vragenlijst terugvinden).

Een van de opvallende zaken die uit het boek naar voren komen is dat vrijwel alle wetenschappers de noodzaak inzien van een gesprek over de verhouding tussen geloof en wetenschap. Religie is nu eenmaal een gespreksonderwerp geworden vanwege externe invloeden (wat Ecklund noemt conditions of environmental push, die positief of negatief kan zijn (81-84)). Met name de niet-religieuze wetenschappers beschouwen religie als een grote bedreiging voor vrije wetenschapsbeoefening. In de Amerikaanse context is dat begrijpelijk. Veel Amerikaanse onderzoeksinstituten worden door particulier geld bekostigd. Als de druk vanuit de (religieuze) samenleving op (bepaalde takken van) wetenschap toeneemt, kan het gebeuren dat de geldkraan langzaam wordt dichtgedraaid omdat de geldschietende instanties bang worden voor de publieke druk. Onder de regering-Bush was dit bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar bij het stamcel-onderzoek. Wetenschap kan een speelbal van de politiek worden. En als politiek en religie vermengd raken, ontstaat er een behoorlijk explosief mengsel. In Europa is dit, vermoed ik (of hoop ik), nog niet zo aan de orde, hoewel de trend in de wetenschap wel is om steeds meer naar Amerikaans model te opereren.

Alle wetenschappers die Ecklund ondervroeg waren het dus eens over de noodzaak om religie serieus te nemen, maar hoe pak je dat aan? Ecklund geeft al aan dat één van de belemmeringen voor een dialoog over de verhouding tussen geloof en wetenschap precies de angst is dat religie een bedreiging vormt voor wetenschap. Niet alleen zorgt een dergelijke angst ervoor dat er nogal negatief over religie wordt gesproken. Ecklund noemt hem niet, maar Richard Dawkins is hiervan een mooi voorbeeld. Dawkins ziet creationisme als een grote bedreiging voor de samenleving. Zijn reactie is dan om religie zo zwart mogelijk te maken, met als gevolg dat de dialoog met gelovigen volledig wordt platgeslagen. Niemand wint iets bij een dergelijke benadering, de loopgraven worden alleen maar verder uitgediept. Een us versus them mentality levert niets op. Tegelijkertijd, stelt Ecklund, laat een dergelijke strategie ook zien dat wetenschappers zich nogal onzeker voelen over hun eigen capaciteiten om het grote publiek te bereiken. Er zijn dus twee hobbels die overwonnen moeten worden: de angst voor religie en de eigen onzekerheid in het publieke debat.

Ecklund wijst vervolgens op de fouten die wetenschappers in de communicatie met het brede publiek kunnen begaan. Let wel: Ecklund zelf wijst die fouten niet aan, zij beschrijft alleen wat de ondervraagde wetenschappers hebben aangegeven als fouten die collega-wetenschappers kunnen maken. Allereerst stelden de wetenschappers dat het verkeerd is om je op te sluiten in de eigen laboratoria:

Public-minded scientists criticized thier colleagues, in particular, for being focused too much on “just doing science” rather than seeing as part of their job the spreading of sciencce to a broader public, particularly a religious one. (…) A minority of the scientists I interviewed crticized their colleagues in a general sense for doing little to interact with the local and national communities outside their universities. They feel that scientists talk mainly to one another about issues of public science, leaving them with little direct familiarity with members of the public and little ability to relate to those outside of academia, especially when important religion-and-science issues come to the fore. (131)

Een deel van de problemen met de communicatie met de Amerikaanse samenleving, zo stelt Ecklund, heeft ook te maken met de pluralistische wetenschappelijke gemeenschap:

nearly 28 percent of natural scientists and 25 percent of social scientists are first- or second-generation immigrants. And about 16 percent of each group are not U.S. citizens. Cultural barriers and lack of experience with American religion make it much more difficult for them to get involved in U.S. plitics or to be advocates for public science. (132)

Maar wat zouden wetenschappers dan beter kunnen doen? Ecklund noemt drie manieren waarop wetenschappers hun communicatievermogen zouden kunnen oppoetsen.

Ten eerste het erkennen van religieuze diversiteit: “The first stage of effectively engaging religion and science, then, is to recognize the diversity in religious thought and practice. Just as not alle biologists study the same biological system, not all religious people have the same beliefs or apply their beliefs in the sam way.” (133) Ecklund wijst erop dat veel niet-religieuze wetenschappers hun “kennis” over religie halen uit de voorpagina’s van de New York Times of USA Today. In hun beleving staat alle religie gelijk aan blank, protestants fundamentalisme. Het gaat er dus om dat ook wetenschappers leren kijken beyond the headlines.

Ten tweede moeten wetenschappers openlijk erkennen dat wetenschap beperkt is. Nogal wat ondervraagde wetenschappers ergerden zich aan scientism van hun collega’s, “a disciplinary imperialism on the part of scientists that leads them to explicitly or implicitly assert that science is the only valid way to knowledge and that it can be used to interpret all other forms of knowledge.” (137) Een geïnterviewde wetenschapper stelt dat vooral aan het grote publiek duidelijk moet worden gemaakt dat “science [should] not pretend to be able to solve spiritual or ethical problems and not pronounce on things that it has no authority to pronounce on.” (138)

Ten slotte zouden wetenschappers zich moeten bekwamen in active engagement. Wetenschappers moeten zelf actief werken aan een dialoog met gelovigen en religieuze gemeenschappen. Ze moeten communiceren met de media. Ze moeten religieuze uitdagingen van theorieën als de evolutietheorie actief aan de orde stellen. Met andere woorden, stel je als wetenschapper niet defensief op, maar ga juist actief de uitdaging van het open gesprek aan.

*****

Ik wil mijn bespreking van Ecklunds bevindingen vandaag afsluiten met een paar meer persoonlijke, kritische opmerkingen en vragen die tijdens het lezen van Ecklunds boek bij mij bovenkwamen.

Allereerst: Ecklund maakt geen onderscheid tussen disciplines. Zij duidt met science zowel sociale wetenschappen als natuurwetenschappen aan (zie ook pagina 10-11). Daarbij worden de disciplinaire verschillen uitgewist. Zo vroeg ik me af: klopt het, zoals vaak wordt beweerd, dat biologen over het algemeen atheïstischer zijn dan andere wetenschappers? Klopt het ook dat kwantumfysici juist over het algemeen weer religieuzer zijn dan andere wetenschappers? En hoe zit het bijvoorbeeld met het verschil tussen natuurwetenschappers en sociale wetenschappers? Je leest vaak dat sociale wetenschappers over het algemeen relativistischer en atheïstischer zijn dan natuurwetenschappers (bijvoorbeeld door de invloed van postmodernistische en constructivistische modes waardoor sociale wetenschappers alles tot menselijke constructies reduceren). Maar klopt die bewering? Aan deze vragen gaat Ecklund in haar boek volledig voorbij.

Een andere vraag betreft het atheïsme. Het merendeel van de wetenschappers is atheïst, zo komt ook in dit onderzoek weer naar voren. Nu stellen de atheïstische wetenschappers zelf meestal dat ze atheïst waren voordat ze wetenschapper werden. Een causaal verband van wetenschap naar atheïsme kan dus niet zo eenvoudig gelegd worden. Toch is het een interessant fenomeen. Waarom zijn er zoveel atheïsten die wetenschapper worden? Waarom is wetenschap zo aantrekkelijk voor vooral atheïsten? Is dat alleen een Amerikaans verschijnsel? Dat wil zeggen, is er voor atheïsten in de Amerikaanse samenleving zo weinig speelruimte dat wetenschap de enige manier is om toch een publieke rol van betekenis te kunnen spelen? Of spelen andere factoren een rol? Ook dit zijn vragen die door Ecklunds onderzoek worden opgeroepen, maar niet verder worden behandeld.

En dan ten slotte: doet theologie er nog toe? Het hele woord “theologie” komt bij mijn weten in het boek niet voor. Wat voor rol kunnen theologen spelen? Of staan theologen vooral aan de kantlijn en is science and religion vooral een spel dat door natuurwetenschappers zelf gespeeld wordt?

Het zijn allemaal vragen die schreeuwen om verdere verdieping. Ik hoop dat we daarom in de toekomst nog veel van Ecklund en haar onderzoek zullen horen. En dat andere sociale wetenschappers, bijvoorbeeld in Nederland, het initiatief zullen overnemen en een dergelijk onderzoek ook in Nederland zullen opstarten.

=== P.S. eventuele reacties zullen in de loop van zaterdag pas kunnen worden goedgekeurd en geplaatst ===

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken – weblinks

De afgelopen weken zijn er op het Internet al veel besprekingen van Ecklunds onderzoek verschenen. Hieronder geef ik, voor wie daar interesse voor heeft (en zonder enige volledigheid te willen claimen), een aantal weblinks naar interessante artikelen, video’s, interviews, etc. over Ecklunds Science Vs. Religion: What Scientists Really Think:

Website van Ecklund.

Een uur-lang interview (video) met Ecklund, waar ze haar motieven, methoden, etc. uitlegt.

Artikel in Newsweek.

Evolutionblog. (Met dank aan Gerdien.)

Beliefnet.

Scientific Blogging.

ABC News.

Point of Inquiry: je kunt hier een MP3-file downloaden met een uur lang interview met Ecklund door schrijver Chris Mooney; zie ook het blog van Mooney HIER.

Op Science + Religion Today:

http://www.scienceandreligiontoday.com/2009/08/14/how-religious-people-misunderstand-scientists/

http://www.scienceandreligiontoday.com/2010/04/12/how-scientists-really-feel-about-religion/

http://www.scienceandreligiontoday.com/2010/05/18/studying-science-doesnt-make-you-an-atheist/

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken (4/5)


En hoe zit het nu met de elite-wetenschappers die atheïst zijn? Hoe is hun houding jegens religie? Proberen ze actief religie te bestrijden? Denken zij dat geloof en wetenschap in conflict met elkaar zijn?

Volgens Ecklund is het percentage wetenschappers dat het idee van een universeel conflict tussen geloof en wetenschap erg klein. Slechts 15 procent van de 275 wetenschappers die zij interviewde (dus zo’n ruim 40 wetenschappers) menen dat geloof en wetenschap categorisch met elkaar in conflict zijn. Dit zijn bovendien atheïstische wetenschappers die een “dunne” spiritualiteit hebben (daarover dadelijk meer), een smalle definitie van religie hanteren (het fundamentalistische protestantisme is voor deze wetenschappers het stereotype van religie), en ze hebben een smalle definitie van wetenschap: zij accepteren wat Ecklund (in navolging van de socioloog Robert Merton) een normative structure of science noemt: “science is inherently protected from personal bias because scientists work together in groups. They replicate one another’s experiments, thus ensuring the objectivity of the collective rather than the subjectivity of the individual.” (17)

Laten we vervolgens eerst eens kijken naar de spiritualiteit van alle ondervraagde elite-wetenschappers. Ecklund stelt: “If we think about spirituality as a continuum of relevance, there would be many scientists on one end, whose spirituality seems to be lacking in content, or an accompanying sense of responsibility.” (53) Dergelijke wetenschappers hebben een “dunne” spiritualiteit, een spirituele beleving die weinig inhoudelijk is en geen verschil maakt ten aanzien van de manier waarop iemand in het leven staat. Ecklund ontdekte dat iets minder dan 60 procent van de ondervraagde wetenschappers een dergelijke “dunne” spiritualiteit heeft. Het zijn wetenschappers die niet malen om levensbeschouwelijke en existentiële kwesties. Eén van de geïnterviewden omschreef zijn spiritualiteit als “getting up every day and putting [his] pants on” (54).

Ruim 40 procent van de ondervraagde elite-wetenschappers hebben daarentegen een “dikke” spiritualiteit. Ecklund noemt hen spiritual entrepreneurs: “scientists looking for new ways to hold science and faith together yet still free of the constraints of traditional religion.” (54) Dit kunnen God-gelovigen zijn, maar ook atheïsten! Het zijn wetenschappers die zichzelf als spiritueel in substantiële zin beschouwen. Spirituele ondernemers zijn vaak geneigd om een sterk onderscheid te maken tussen “religie” en “spiritualiteit”: zij zien “religion and spirituality in distinctly different terms, with many viewing the two as nonoverlapping categories.” (55) Spirituele ondernemers halen hun spiritualiteit uit wetenschap zelf en minder snel uit religieuze tradities, en noemen bovendien vaak Einstein als grote voorbeeld.

Nu is het begrip “spiritualiteit” zowel in het Nederlands als in het Engels een term die vele connotaties kent. Het is belangrijk om op te merken dat natuurwetenschappelijke spirituele ondernemers een begrip van spiritualiteit hanteren dat verre van zweverig, vaag of New Age is, in tegenstelling tot wat veel mensen (en boekhandelaren!) onder het begrip “spiritueel” verstaan. Spirituele wetenschappers willen een coherent wereldbeeld, dat zoekt naar waarheid en coherent is met wat de wetenschap over de wereld te berde brengt. Ecklund legt uit:

The difference between scientists and most of the nonscientists who see themselves as spiritual is that members of the general population often compile bits of various forms of religion (a spiritual salad bar) to put together an indiviaulized inner life that works for them. The effort of the spiritual scientist is more about pursuing reality and discovering the truthful aspects of spirituality that will be most in line with science. Most often scientists see this individual pursuit of truth, which allows science to stand in the face of criticism, as completely incongruent with religion. (…) Spiritual entrepreneurs … conform to nothing but their discovered truth, or search for meaning. And these individual pursuits of truth can often lead to an outward focus rather than shallow preoccupation with oneself. (55)

Of in één zin samengevat:

Spiritual entrepreneurs are both traditionalists as regards their relationship to truth and revolutionaries in their manner of religious understanding and practice. They share with the spiritual-but-not-religious person on the street the same desire to cast off the shackles of religion. But they cling with devotion to the existence of objective and knowable truth. (56)

Een heel aparte groep is die van de spirituele atheïsten, een categorie die, zoals Ecklund zegt, vrijwel exclusief aan wetenschappers toebehoort. Van alle spirituele wetenschappers zegt 22 procent dat ze atheïst zijn, en 27 procent dat ze agnost zijn. Of in tabelvorm (overgenomen van p. 58:

Not at all spiritual

Spiritual

Atheist

59%

22%

Agostic

34%

27%

Believer

8%

51%

Met andere woorden, van alle spirituele wetenschappers zijn bijna de helft atheïst en agnost. Atheïsme en spiritualiteit sluiten elkaar dus verre van uit, maar, zegt Ecklund, dit geldt alleen voor de selecte groep van wetenschappers. Want in de Amerikaanse populatie als geheel is spiritueel atheïsme en agnosticisme onmeetbaar klein, voornamelijk omdat slechts twee procent van de bevolking zich atheïst noemt en vier procent agnost.

Het verrassende van de categorie van spirituele atheïstische wetenschappers, is dat die categorie er blijkbaar gelijksoortige denkbeelden op nahoudt als gelovige spirituele wetenschappers. Ecklund maakt in ieder geval geen onderscheid in denkbeelden tussen gelovige en atheïstische/agnostische spirituele wetenschappers en behandelt ze als één groep. Blijkbaar maakt de inhoud van de spirituele beleving niet zoveel verschil. Atheïsten en gelovigen komen als het op spirituele beleving aankomt, heel dicht bij elkaar. Het is jammer dat ze daar inhoudelijk niet wat verder op ingaat, want het is een intuïtie die ikzelf al langer heb, maar die ik hier bevestigd zie. Ik had er graag meer over gehoord.

Maar als wetenschappers spiritueel zijn, komt die spiritualiteit dan ook ergens tot uiting? Volgens Ecklunds onderzoek is dat wel degelijk het geval. Spiritualiteit beïnvloedt wetenschap. Zo zeggen verschillende spirituele wetenschappers (opnieuw, Ecklund maakt hierbij geen verschil tussen religieuze en niet-religieuze spirituele wetenschappers) dat hun spiritualiteit meespeelt in de hypothese-genererende fase van wetenschappelijk onderzoek. Helaas wordt verder niet concreter uitgewerkt hoe dit dan in zijn werk gaat. In ieder geval erkennen dergelijke wetenschappers dat wetenschappelijke vragen soms geïnformeerd of beïnvloed worden door bronnen van buiten de wetenschap zelf.

Dit is overigens een eigenaardige conclusie, want eerder in het boek stelde Ecklund al vast dat expliciet religieuze wetenschappers geen enkele behoefte voelden om hun geloof een rol te laten spelen in hun wetenschappelijke werk. Geloof speelde alleen een rol bij de sociale interactie met anderen. Bij de spirituelen liggen de zaken dus duidelijk anders en beïnvloedt hun spiritualiteit ook inhoudelijk wetenschappelijke beslissingen. Ecklund gaat hier helaas verder niet op in, en dus laat ik het ook liggen.

Wetenschap beïnvloedt echter ook spiritualiteit, en dit is natuurlijk het minst verrassend. Zo stelt Ecklund met name over spirituele atheïstische wetenschappers:

Some scientists feel that science actually frees them to admire the complexity of the natural world and praise it. Their spirituality helps these atheists appreciate the mystery they often encounter in their work. As we all know, the work of scientists – especially natural scientists – requires highly technical knowledge about the natural world, as well as skill in its manipulation. Some scientists see themselves as genuineley unlocking nature’s secrets through their research. And for this group of spiritual scientists, their sense of access to the deepest aspects of nature also enlivens a sense of spirituality. (62)

Voor veel elite-wetenschappers is spiritualiteit een manier om het conflict tussen geloof en wetenschap te vermijden. Sterker nog: “The scientists who were the most spiritual seemed the least interested in policing the boundaries between science and religion or even the boundaries of discourse between the two.” (63)

Met andere woorden, voor wetenschappers met een “dikke” spiritualiteit gaan geloof en wetenschap bijna vloeiend in elkaar over. Atheïstische wetenschappers die me zo te binnen schieten en die in deze categorie zouden kunnen vallen, zijn bijvoorbeeld biologe Ursula Goodenough, astronoom Chet Raymo en complexiteitswetenschapper Stuart Kauffman. Deze drie wetenschappers hebben boeken geschreven waarin de categorieën van spiritualiteit en wetenschap naadloos in elkaar overlopen, niet alleen in de visie die ze in die boeken uiteenzetten (de “ontologie”), maar ook in de taal, in de beschrijving van die visie (het “discours”). Maar zelfs Richard Dawkins, in het begin van zijn The God Delusion, zou in deze categorie kunnen vallen – ware het niet dat hij toch in de rest van datzelfde boek de suggestie wekt dat hij iemand is met een zeer “dunne” spiritualiteit.

Ecklund heeft hier, denk ik, een heel belangrijk punt te pakken dat uiteindelijk een brug kan vormen om de kloof tussen geloof en wetenschap te doorbreken. Zoals ze zelf stelt:

elite scientists who are boundary pioneers and spiritual atheists might actually be the carriers of a new religious impulse, one characterized by a deep commitment to the scientific enterprise and the achievement of elite status among their scientific peers. (…) A traditional sociology-of-religion approach that focuses on religious organizations and institutions does not allow for the complex pursuit of spirituality in everyday life, particularly the new kinds of science-linked spirituality I find among scientists. These spiritual atheists are creating something new, outside of religious organizations and conventional religious understandings. (7)

Het interessante is dat binnen het hele veld van science and religion vandaag de dag deze sprituele atheïsten, zoals Goodenough en Kauffman, toonaangevend beginnen te worden en daarmee Ecklunds punt bevestigen. Daarmee lijkt een beweging zichtbaar te worden in de geschiedenis van het veld van science and religion sinds de jaren 1960. Toen de kwantumfysicus Ian Barbour rond 1960 begon met het publiceren van zijn boeken, ging het vooral nog om vragen over hoe wetenschap zich tot meer klassiek-theïstische godsconcepten verhoudt. Na Barbour kwamen bijvoorbeeld John Polkinghorne en Arthur Peacocke met godsmodellen die al meer afstand namen van het klassieke theïsme en flirtten met naturalisme. Hun modellen waren mengelingen van procestheologie en klassiek-theïstische concepten van Gods handelen, maar er was ook een sterke nadruk op het idee van kenosis, Gods vrijwillige terugtrekking – een idee dat je nu bij meer fenomenologische denkers als Derrida, Caputo en Vattimo terug ziet komen, denkers die al lang afscheid van het klassieke theïsme hebben genomen.

Met het spirituele atheïsme van naturalisten als Goodenough en Kauffman lijkt de nadruk op Gods kenosis, Gods verborgenheid en transcendentie te worden versterkt. Denk ook aan het naturalistische werk van Wim Drees, nu de grote gezagvoerder van het vaktijdschrift Zygon. Er zijn veel meer auteurs te noemen die in dit spoor verder denken (bijvoorbeeld John Haught, Michael Ruse, Francisco Ayala, en Stephen Jay Gould). En ik merk dat ook mijn eigen denken sterk in die richting gaat, maar dan wel theologisch gemotiveerd.

In het laatste deel, dat ik morgen zal posten, sluit ik mijn bespreking van Ecklunds boek af.

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken (3/5)

Uit Ecklunds onderzoek blijkt dat zo’n 36 procent van de elite-wetenschappers wél in God gelooft. Nu kan iemand reageren met: Oké, dus veruit de meeste wetenschappers zijn ongelovig. Echter, hoewel het percentage gelovigen onder wetenschappers in vergelijking met de Amerikaanse bevolking relatief laag is (maar liefst 94 procent van “normale” Amerikanen zegt te geloven in Godn tegenover 36 procent van de wetenschappers), is het toch geen gering aantal. Het betekent dat ruim één op de drie wetenschappers aan – let wel! – elite-universiteiten in de Verenigde Staten in God gelooft. Daarnaast gaat van alle elite-wetenschappers gaat bovendien 18 procent minstens één keer per maand naar een religieuze (bijvoorbeeld kerk-) dienst (ter vergelijking: 46 procent van alle Amerikanen bezoekt eens per maand of vaker naar een religieuze dienst). Deze wetenschappers zijn dus actief met hun geloof bezig. Met andere woorden, één derde van alle elite-wetenschappers zijn gelovig, en één vijfde bezoekt minimaal eens per maand een religieuze dienst. Het algemene (en juiste) idee mag dan wel zijn dat de meeste wetenschappers atheïst zijn, de cijfers van Ecklund zetten een en ander toch wel in perspectief.

Wat geloven gelovige Amerikaanse wetenschappers? De wetenschappers die zichzelf gelovig noemen, hebben een geloof dat behoorlijk afwijkt van dat van mainstream Amerikanen. Ze zien zichzelf als liberaal gelovig en beschouwen het overgrote merendeel van de Amerikaanse gelovigen dan ook als conservatief. Ze hebben bovendien een behoorlijk abstract godsbegrip. Ook hier is het echter jammer dat Ecklund niet dieper op de materie ingaat (of dat bewaart voor een volgende publicatie), want ik had graag meer vernomen over de verschillende godsbeelden van die gelovige wetenschappers en de manier waarop zij de verschillen tussen hun eigen abstractere geloof en dat van “gewone” gelovigen onder woorden brachten.

Een dergelijke liberale positie is de meeste gelovige wetenschappers overigens niet komen aanwaaien, maar is vaak het resultaat van een existentiële worsteling. Dat is niet verwonderlijk, als je er even over nadenkt dat een groot percentage Amerikanen een behoorlijk evangelicaal geloof aanhangt dat zich moeilijk verhoudt tot het huidige natuurwetenschappelijke wereldbeeld. De meeste gelovige wetenschappers komen oorspronkelijk uit een gelovig gezin, en velen zullen dan ook in een behoorlijk conservatief-religieus klimaat zijn opgegroeid. Kennis van wetenschap en een training tot een kritische en zelfs sceptische attitude leveren dan cognitieve dissonantie op, die opgelost wil worden. Niettemin, het resultaat van die worsteling was over het algemeen niet het verlies van geloof, maar een verandering.

Het betekent overigens wel dat veel gelovige wetenschappers een zekere spanning voelen met het geloof zoals dat in de geloofsgemeenschap waartoe ze behoren gemeengoed is. Ze voelen zich toch wel een outsider. Soms echter vinden dergelijke wetenschappers ook een eigen plek in die geloofsgemeenschap, met een eigen functie, door bijvoorbeeld lezingen of gespreksgroepen te organiseren waarin ze vertellen hoe zij hun geloof en hun wetenschap verenigen. Dergelijke wetenschappers, die het gesprek over de grenzen tussen geloof en wetenschap willen aangaan, worden door Ecklund boundary pioneers genoemd. Het zijn uiteindelijk deze “grensgangers” die volgens Ecklund zeer behulpzaam kunnen zijn wanneer het op communicatie tussen wetenschap en geloof aankomt.

Gelovige wetenschappers praten niet vaak over hun geloof tegen collega’s, zo blijkt. Het blijkt dat het academische klimaat daar niet bevorderlijk voor is. Veel gelovige wetenschappers denken dat het not done is om over je geloof te praten in een academische setting. Ecklund spreekt dan ook van een closeted faith, gelovigen die hun religieuze overtuigingen voor zichzelf houden “because of the perception that other faculty in their departments think poorly of religious people and religious ideas.” (43) Sommige wetenschappers wijten dit aan de hele discussie over Intelligent Design, die de religieuze opinie zo heeft gepolariseerd “such that you’re either religious or you’re a scientist”, zoals één van de geïnterviewden het uitdrukte. (44) Later zal nog blijken dat deze perceptie een voorbeeld is van bedrieglijke schijn, omdat veel academische atheïsten behoorlijk open en zelfs geïnteresseerd zijn in religieuze en spirituele zaken.

Een andere verrassende conclusie is dat, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, gelovige wetenschappers er niet over piekeren om hun wetenschap door hun geloof te laten beïnvloeden. Geen enkele gelovige wetenschapper die Ecklund interviewde verdedigde Intelligent Design; 94 procent van de ondervraagde wetenschappers ziet de huidige evolutietheorie als beste verklaring voor de ontwikkeling van het leven op aarde. Ecklund vond geen enkele wetenschapper die van mening is dat geloof invloed moet hebben op de wijze waarop wetenschap moet werken.

Toch heeft religie wel degelijk invloed, namelijk op de manier waarop gelovige wetenschappers functioneren in een sociale context. Gelovige wetenschappers hebben namelijk een andere attitude jegens anderen, jegens hun studenten en mede-wetenschappers, vergeleken met niet-gelovige wetenschappers:

many of the religious scientists I talked with placed great value on their coworkers and students as people created in the image of God in the midst of a competitive scientific profession that often seems to chew up and spit out individuals with little regard for human dignity. This desire to care for others even in this competitive environment often means that these scientists live according to values and with worldviews that are quite different from those of their nonreligious peers. These scientists’ worldviews and practices made them different from their colleages in how they thought of themselves. Their religious identities contributed to and shaped their identities as scientists. (38)

Zou het dus echt zo zijn dat je als promovendus of postdoc maar beter bij een religieuze hoogleraar terecht kunt komen, omdat die zijn nek verder voor je zal uitsteken dan zijn/haar atheïstische collega? Op dit punt blijft Ecklunds boek helaas wat oppervlakkig en vaag.

Morgen gaan we kijken naar hoe atheïstische wetenschappers over religie denken.

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken (2/5)

Uit Ecklunds onderzoek blijkt onder andere het volgende. Ongeveer 28 procent van de Amerikaanse bevolking is evangelicaal protestants, tegenover slechts 2 procent van de wetenschappers. Hieruit lijk je wel te mogen concluderen dat het evangelicale protestantisme – dat die vormen van Amerikaans geloof omvat die veelal als “fundamentalistisch” worden bestempeld – zich niet echt lekker verhoudt met wetenschap. Het gaat hier om vormen van religieus geloof die de Bijbel als letterlijk waar nemen en Darwins evolutietheorie verfoeien. Het zijn, zo beschrijft ook Ecklund, wetenschapsvijandige vormen van geloof. Hoe ziet het levensbeschouwelijke spectrum van elite-wetenschappers er dan uit? Dat laat de volgende tabel zien:

Religious Affiliation

Percent of Elite Scientists

Percent of U.S. Population

Evangelical Protestant

2

28

Mainline Protestant

14

13

Black Protestant

0.2

8

Catholic

9

27

Jewish

16

2

Other

7

6

None

53

16

Total Percent

100

100

Ik heb deze tabel overgenomen van p. 15. Ik moet daarbij opmerken dat er volgens mij ergens een foutje in zit, aangezien het totaalpercentage van elite-wetenschappers op ruim 101 procent uitkomt als je alle percentages bij elkaar optelt, in plaats van 100. Ik vermoed dat dit met de afronding te maken heeft. Daarnaast spreekt Ecklund in de rest van het boek over 54 procent van de elite-wetenschappers die tot geen enkele religie behoren, terwijl in de tabel toch echt 53 staat. Ik heb voor deze discrepanties in het boek geen reden of oorzaak kunnen vinden.

Uit de tabel wordt in elk geval duidelijk dat 53 (of 54) procent van de elite-wetenschappers geen religie aanhangt. Dit betekent echter niet dat die wetenschappers allemaal atheïsten of agnosten is. Je moet immers bedenken dat er ook veel joodse wetenschappers zijn, die hun jood-zijn als een etnische categorie opvatten in plaats van een religieuze. Hoewel zij dus aangeven joods te zijn, zien zij zichzelf niet als religieus en beschouwen sommigen zich zelfs als atheïst. Ook vond Ecklund nogal wat atheïstische wetenschappers die wel degelijk lid waren van een religieuze denominatie, bijvoorbeeld vanwege vrienden of omdat ze hun kinderen naar een degelijke school wilden sturen. Wat negatief gesteld zou je zeggen dat die atheïstische wetenschappers lid zijn van een religieuze denominatie om opportunistische redenen. Dit vertekent dus het beeld enigszins.

Als het er dan vervolgens om gaat hoeveel procent van de elite-wetenschappers ook daadwerkelijk atheïst of agnost is, dan gaat het volgens Ecklund om maar liefst 64 procent. Ongeveer 34 procent van de wetenschappers stelt dat ze niet geloven in God (atheïsme), en ongeveer 30 procent zegt dat ze niet weten of er een God is en dat er geen manieren zijn om dat uit te zoeken (agnostische positie). Als je kijkt naar de Amerikaanse populatie, dan zijn de percentages respectievelijk twee en vier procent.

Echter de vraag is of hier van een oorzaak-gevolg-verband gesproken kan worden. Is het zo dat wetenschappers atheïst zijn vanwege wetenschap? Dat wordt wel vaak gesuggereerd: wetenschap leidt tot atheïsme. Ecklund vond echter iets heel anders:

In fact, for the majority of scientists I interviewed, it is not the engagement with science itself that leads them away from religion. Rather, their reasons for unbelief mirror the circumstances in which other Americans find themselves: they were not raised in a religious home; they have had bad experiences with religion; they disapprove of God or see God as too changeable. For others, religion is simply irrelevant to their life’s passion of science. (17)

Met andere woorden: Ecklund vond dat wetenschappers al atheïst waren voordat ze wetenschapper werden, hetzij door opvoeding, hetzij door slechte ervaringen met religie of gewoon door desinteresse. De wetenschappers gaven zelf aan dat ze al atheïst waren voordat ze wetenschapper werden. Wetenschap leidt dus niet noodzakelijkerwijs tot een atheïstische levenshouding. Sterker nog: veel atheïsten bleken buitengewoon gelovig te zijn, in de zin van spiritueel angehaucht. En bij velen van hen speelde wetenschap daarbij een grote inspirerende rol. Maar daarover later meer.

De vraag die ik morgen aan de orde zal stellen, luidt: als sommige wetenschappers gelovig zijn, wat geloven ze dan?

E.H. Ecklunds “Science Vs. Religion” besproken (1/5)

Van de sociologe Elaine Howard Ecklund is onlangs een erg interessant boek bij Oxford University Press verschenen: Science Vs. Religion: What Scientists Really Think (New York: Oxford University Press 2010, ISBN 9780195392982). Ik had het boek al ruim voor de verschijningsdatum besteld, maar door de aswolk was de bezorging ervan aanzienlijk vertraagd. Toen het echter onlangs arriveerde, heb ik het direct in een paar dagen uitgelezen. Het boek vat de resultaten en conclusies samen van een grootschalig onderzoek dat Ecklund tussen 2005 en 2008 onder natuur- en sociale wetenschappers aan een aantal elite-universiteiten in de Verenigde Staten heeft laten uitvoeren, om erachter te komen hoe scientists denken over religie. En de uitkomsten zijn op zijn minst opmerkelijk te noemen.

Vandaag de dag denken veel mensen dat geloof en wetenschap noodzakelijkerwijs met elkaar in conflict verkeren. Niet alleen is dat in de geschiedenis altijd zo geweest (denk maar aan Galileo of Giordano Bruno), maar in de laatste twee eeuwen is de strijd tussen geloof en wetenschap alleen maar verbetener geworden, met als hoogtepunt de recente strijd over creationisme en Intelligent Design. Bovendien hebben eerdere onderzoeken zoals die van Leuba en van Larson & Witham laten zien dat het merendeel van de natuurwetenschappers allemaal atheïst zijn. Dan ligt het oordeel toch voor de hand dat (a) geloof en wetenschap met elkaar in strijd zijn, en (b) dat natuurwetenschap tot atheïsme leidt? Maar klopt dat oordeel met hoe wetenschappers werkelijk denken?

De komende dagen ga ik in een aantal blogposts de hoofdlijnen van Ecklunds bevindingen langs, waarbij ik hoop dat lezers van mijn blog geïnteresseerd zullen raken in haar boek en zich erin zullen verdiepen. Ecklund bespreekt grotendeels de hoofdlijnen van de resultaten en verliest zich niet in details omtrent cijfermateriaal. Het boek is dus de moeite waard voor een ieder die geïnteresseerd is in de verhouding tussen geloof en wetenschap. Het doorbreekt namelijk heel wat stereotype beelden van hoe wetenschappers over geloof denken.

Nooit eerder echter werd zo nauwkeurig naar de denkbeelden van wetenschappers over religie gekeken. Ecklund heeft pioniersarbeid verricht, en zoals dat betaamt: de resultaten zijn verrassend en nuanceren het standaardbeeld behoorlijk. Nooit meer zal iemand uitspraken kunnen doen over hoe wetenschappers over religie denken zonder eerst ook naar Ecklunds resultaten te hebben gekeken. Bovendien vermoed ik dat na publicatie van dit boek nog vele spin-off publicaties zullen volgen, want veel details van het onderzoek blijven in het boek onbesproken. Tegelijkertijd besef ik ook wel dat het boek een representatie is; het beschrijft niet hoe alle wetenschappers over religie denken, maar het is een steekproef.

Ecklund ondervroeg zo’n 1700 wetenschappers door middel van een vragenlijst, en had persoonlijke gesprekken met 275 van hen. Zij spreekt over scientists, wat de indruk wekt dat ze alleen natuurwetenschappers op het oog heeft. Dat is echter niet het geval. Ze geeft aan dat zij met de term scientist zowel natuurwetenschappers als ook sociale wetenschappers bedoelt (dus ook bijvoorbeeld psychologen, politicologen en sociologen). Alle ondervraagden waren wetenschappers die werkten aan Cornell University, Harvard, MIT, Princeton, Stanford, en vele andere zeer prestigieuze Amerikaanse universiteiten. Ecklunds algemene conclusie is helder:

Much of what we believe about the faith lives of elite scientists is wrong. The “insurmountable hostility” between science and religion is a caricature, a thought-cliché, perhaps useful as a satire on groupthink, but hardly representative of reality. (5)

Ik denk dat Ecklunds bevindingen om tenminste drie redenen belangrijk zijn. Ten eerste omdat het gaat om een onderzoek onder Amerikaanse elite-wetenschappers. De Verenigde Staten vormen een heel curieus land in velerlei opzicht, maar toch vooral omdat de mensen in zo’n hoogmoderne en technologische samenleving nog zo ongelooflijk religieus is. Lange tijd golden de VS als het land bij uitstek dat de sociologische “secularisatiethese” falsificeerde (totdat uiteindelijk bleek dat ook Europa niet minder religieus wordt met de voortschrijdende modernisering, maar anders religieus). Het is dan ook interessant om te zien hoe de ideeën van de Amerikaanse wetenschappelijke elite zich verhouden tot die van het “gewone” Amerikaanse volk.

Ten tweede is het onderzoek van belang omdat het de vraag oproept hoe het dan zit met de situatie in Nederland, of Duitsland, of Europa-in-het-algemeen. Hoe denken wetenschappers in Europa over religie? Zijn er overeenkomsten en verschillen met de Amerikaanse situatie, en zo ja, hoe zijn die te verklaren? Ecklunds onderzoek legt een basis voor een dergelijk onderzoek op het Europese vasteland en Engeland. Ik zou zeer geïnteresseerd zijn in het verrichten van een dergelijk onderzoek (of beter gezegd: ik zou zeer geïnteresseerd zijn in de uitkomsten van zo’n onderzoek), maar heb geen idee hoe je zoiets opzet.

Ten derde geeft Ecklund zelf in haar boek duidelijk aan wat de relevantie van haar onderzoek is voor zowel wetenschappers als gelovigen. In de VS is de discussie over geloof en wetenschap sterk gepolitiseerd. Alle wetenschappers die door Ecklund in het onderzoek betrokken waren het erover eens waren dat wetenschap in Amerika niet meer om religie heen kan, hoe dan ook. Wil wetenschap in een dergelijke gepolitiseerde en gepolariseerde context overleven, dan is het belangrijk dat wetenschappers weten te communiceren met gelovige niet-wetenschappers. Het is belangrijk dat wetenschappers begrijpen waar voor Amerikaanse gelovigen de pijnpunten zitten en vooral ook de misverstanden. Tegelijk is het voor gelovigen van belang dat helder gemaakt wordt dat wetenschap en atheïsme twee heel verschillende zaken zijn en dat er ook genoeg wetenschappers zijn die wetenschap volledig in overeenstemming met hun persoonlijke spiritualiteit en religie leven en beleven. Met andere woorden, het is belangrijk dat wetenschappers weten te communiceren – ook over religieuze zaken – met het Amerikaanse volk, als ze de wetenschappelijke geletterdheid van de Amerikanen willen doen stijgen. Ecklunds geeft in haar boek behoorlijk nauwkeurig aan waar het goed gaat en vooral ook waar het mis gaat in die communicatie. Het moge duidelijk zijn dat zowel de strategieën van Dawkins als die van creationisme en ID voorbeelden zijn van waar het mis gaat.

Morgen zullen we eens kijken naar hoe het zit met de religiositeit van wetenschappers.