Schrijven als uitdrukking aan een verlangen naar de Eeuwigheid. Een essay.

Al van kindsaf aan heb ik ervan gedroomd om een schrijver te zijn. Ik herinner me nog die ene vakantie in het Zwarte Woud. Ik moet toen een jaar of tien, twaalf geweest zijn. Het was buiten bloedheet, je kon een ei bakken op het dak van de auto. Buiten speelden kinderen, maar ik zat binnen in ons vakantieappartement en schreef in een paar dagen tijd een aantal schoolschriften helemaal vol. Het was een heuse sciencefiction roman vol spannende avonturen, met een woest-gespierde ruimteheld die een aantrekkelijke dame moest redden van allerlei rampen, van computerstoringen tot op bloed beluste aliens…

Doorgaan met het lezen van “Schrijven als uitdrukking aan een verlangen naar de Eeuwigheid. Een essay.”

Vandaag: 5 jaar morning pages, en ruim 5000 pagina’s tekst

Vandaag precies 5 jaar geleden ben ik begonnen met het schrijven van de “morning pages”. Het is dus vandaag een beetje een jubileum.

Drie pagina’s per dag, 365 dagen per jaar, 5 jaar lang. Even rekenen laat zien dat ik dan op ruim 5.500 pagina’s moet zitten. En dat klopt wel ongeveer. Er zijn korte periodes geweest waarin ik niet heb geschreven, dus laat ik een conservatieve schatting geven en zeggen dat ik ruim 5.000 pagina’s heb geschreven, dan zit ik er dichtbij. Maar waarom doe ik dat? Wat is het doel daarvan? Een paar jaar geleden schreef ik daarover al het volgende blogje om uit te leggen wat nu precies die “morning pages” inhouden.

Doorgaan met het lezen van “Vandaag: 5 jaar morning pages, en ruim 5000 pagina’s tekst”

Emiel Hakkenes en de God van de gewone mensen (boekbespreking)

Een paar weken geleden kreeg ik van uitgeverij Thomas Rap spontaan het boek God van de gewone mensen van Trouw-redacteur Emiel Hakkenes toegestuurd. Waarom ik dit boek kreeg thuisgestuurd weet ik niet. Maar ik ben de uitgeverij er zeer dankbaar voor.

Want voordat ik het boek las kende ik Emiel Hakkenes niet, kende ik ook het boek niet, zou ik het boek vermoedelijk niet zelf gekocht hebben en dus niet gelezen. Ik geef het maar eerlijk toe.

Maar toen ik eenmaal begon te lezen, heb ik de ruim 300 bladzijden in ongeveer een dag lezen verslonden. Al vanaf de eerste alinea’s werd ik het verhaal ingezogen en aan het eind van het boek gekomen vond ik het bijna jammer afscheid van de familie Hakkenes én van het dorpje Gieten te moeten nemen. Dit boek verdient alle mogelijke lof. En het zou verplichte kost moeten zijn aan de opleidingen journalistiek.

Doorgaan met het lezen van “Emiel Hakkenes en de God van de gewone mensen (boekbespreking)”

Interview met Carlo Beenakker (2006): “Ik kom God niet tegen in mijn onderzoek”

In 2006 had ik het plan om een boek te schrijven over atheïsme, mede naar aanleiding van de toen net oplaaiende discussies over de "nieuwe atheïsten". Dat boek is er overigens nooit gekomen. In het kader van het boek wilde ik een aantal wetenschappers interviewen over hun (on)geloof. De enige wetenschapper die ik wel heb geïnterviewd, was de Leidse topfysicus Carlo Beenakker. Het interview vond plaats in 2006. Vandaag kwam ik dat interview nog eens tegen en vond het best aardig. Zonde dat daar verder niets mee gebeurt, bedacht ik zo. Vandaar dat ik  het interview, zoals ik het heb uitgewerkt als hoofdstuk voor het boek, nu maar op mijn weblog publiceer, eigenlijk veel te laat, maar beter laat dan nooit. 


"Ik kom God niet tegen in mijn onderzoek" – Een gesprek met fysicus Carlo Beenakker

1.

Show your style! brult Birgit Schuurman, onder begeleiding van de heerlijk bonkende beats van DJ Ferry Corsten.[i] Ik zet mijn MP3-speler nog wat harder. Ja, denk ik, ik hoop dat hij zich laat zien. Ik hoop dat hij mij verrast. Ik passeer het museum Naturalis en loop rustig door, in de richting van het Lorentz Instituut – dat eigenaardige gebouw van de Leidse universiteit dat bevroren lijkt in een proces van omvallen. Het is een mooie ochtend, de zon lijkt erdoor te willen komen. Het is te warm voor begin december. Ik ben benieuwd wat hij me te vertellen heeft.

Ik ben op weg naar een van de topwetenschappers in Nederland. Een topwetenschapper en gelovige – hoe uniek is die combinatie? Ik ben er trots op dat hij een gesprek met mij wil voeren over de relatie tussen geloof en wetenschap. Hij klonk zeer welwillend door de telefoon, wat ik niet verwacht had. Het is blijkbaar iemand die over zijn geloof durft te praten, die zich niet verschuilt, ook niet voor iemand die hij helemaal niet kent. Zelfs nu niet, nu in God geloven door alle recente atheïstische publicaties zo in diskrediet is gebracht.

Gelovigen zijn slechte natuurwetenschappers, dat lijkt de conclusie. Een non sequitur natuurlijk. De Nederlandse wetenschapper Cees Dekker is het eerste voorbeeld wat te binnen schiet om deze conclusie onderuit te halen. Maar toch… Zit er niet ergens een kern van waarheid in? Kijk eens naar de hype rond Intelligent Design. ID probeert God opnieuw in de wetenschap in te voeren door de onderliggende naturalistische methodologie de deur uit te doen en de mogelijkheid open te laten dat er dingen wetenschappelijk onverklaarbaar blijven.

“ID zegt: ‘Kijk, we weten dit en er zijn nog een hoop dingen die we niet kunnen verklaren, en dat is dan God’. Dat is lariekoek, volslagen onzinnig. Daarom heb ik zo’n hekel aan ID”, zegt Carlo Beenakker, hoogleraar theoretische natuurkunde aan de Universiteit Leiden.

In zijn sobere, maar warm ingerichte werkkamer in het Lorentz-instituut, drinken we samen een kop koffie. Zijn deur blijft voortdurend open, uitnodigend. Beenakker is een denker, maar geeft ook sterk de indruk een doener te zijn. Zijn boekenkasten zijn slechts voor de helft gevuld, de meeste planken zijn leeg.

Hij zet zijn punt tegen ID nog eens kracht bij.

“Nee, echt, ID is onzin. Ik snap niet dat grote geleerden als Cees Dekker daar iets in zien. Als God er is, dan heeft Hij zichzelf vakkundig verborgen en dan zal Hij echt geen steken hebben laten vallen. Als de Schepper er is, dan heeft Hij de schepping zo gemaakt, dat die prachtig is en goed in elkaar zit, maar dat je Hem alleen impliciet kunt vinden. De wereld is geen kijkdoos, het is geen toneel. Bij toneel ziet alles er aan één kant goed uit. Als je erachter kijkt, dan zie je hoe alles in elkaar geflanst is. Ik ben er dus van overtuigd dat als God alles gemaakt heeft, Hij dat zo heeft gedaan, dat we hem er niet in zullen kunnen vinden. Want dat zou het hele plan verpesten. Dan zou God bewezen kunnen worden. Dan is het geloof weg.”

 

2.

Op het eerste gezicht is Carlo Beenakker een onopvallende man van halverwege de 40. Hij is niet iemand die je in allerlei tv-programma’s zult terugvinden. Toch is hij een van de bijzonderste wetenschappers van Nederland. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de weinige Star Trek experts van Nederland. Hij heeft meer dan 250 wetenschappelijke publicaties op zijn nam staan en won in 2006 maar liefst vijftigduizend euro voor zijn pionierswerk in de natuurkunde. Eerder sleepte hij al een prestigieuze Spinoza-premie in de wacht.

Maar naast topwetenschapper is Beenakker ook een katholiek die zijn geloof niet onder stoelen of banken steekt. Ik vraag me af hoe dat kan. Hoe kan een topwetenschapper als Beenakker gelovig zijn?

Hij haalt zijn schouders op. “Kijk, in mijn vak speelt geloof geen rol. Ik weet dat geloof een instrument is wat ik in mijn vak niet mag gebruiken. Stel dat iemand zegt: ‘kijk, ik heb hier een vergelijking en vannacht heb ik de uitkomst ervan gedroomd. Ik voel dat dit de uitkomst is.’ Ook dat is in de wetenschap niet toegestaan. Dat je inspiratie uit dromen haalt is prima. Inspiratie is een goddelijke ingeving, een intuïtie, dat mag best. Maar uiteindelijk moet je het kunnen uitleggen aan iemand die die intuïtie niet heeft. Net zo is geloven een methode die je niet mag gebruiken in de wetenschap. Vandaar dat ik niet echt een overlap zie tussen geloof en wetenschap.”

Beenakker lijkt dus de positie van een bioloog als Stephen J. Gould te onderstrepen: geloof en wetenschap zijn twee gescheiden en niet-overlappende domeinen. Maar hoe zit het dan met de uitspraken van wetenschappers als Dawkins en Plasterk?

Maakt wetenschap atheïstisch?

Tot mijn verrassing knikt Beenakker.

“Ja, ik denk dat dat in zijn algemeenheid wel klopt. Daar is ook wel onderzoek naar gedaan, onder Amerikaanse wetenschappers. Dan blijkt dat met name onder biologen veel atheïsme heerst. Naarmate je meer afweet van het leven, neemt blijkbaar het mysterie af en word je overgelaten aan het pure, rauwe geloof.”

Maar als die link tussen wetenschap en atheïsme er is, hoe kan het dan dat een topwetenschapper als Beenakker toch gelovig is?

“Ik zou de stap naar atheïsme kunnen zetten”, zegt hij ronduit. “Ik kom God niet tegen in mijn onderzoek. De schoonheid van de wereld is wetenschappelijk prima verklaarbaar. Bovendien zitten er veel defecten in de wereld. Dus het argument ‘kijk eens naar die schoonheid, daar moet wel een schepper achterzitten’, valt voor mij weg. Ik ervaar dat echter als een verrijking. Mijn geloof in God is een besluit: ik heb zowel de mogelijkheid van atheïsme als van geloof onder ogen gezien, en ik vind de mogelijkheid om te geloven aantrekkelijker. Het gaat om de vraag what is the best story? Dat er een God is, die een plan heeft, dat is voor mij the best story.”

“Ik vind ook dat als je atheïst wordt, dat je dan een deel van jezelf afsluit, namelijk je gevoel voor spiritualiteit. En dat lijkt me gewoon niet gezond. Net zoals je als mens ook aan sport moet blijven doen, moet blijven bewegen. Het is niet meer nodig, je kunt alles met de auto doen. Maar we weten: dat is niet goed voor je. Ook al heb je je lijf niet nodig, het is belangrijk dat je het in goeie vorm houdt. En zo is het ook met onze spiritualiteit: die moeten we voeden. Dat is ook wat ik met mijn studenten doe: ik wil ze niet bekeren tot dit of dat geloof, maar ik moedig ze wel aan die spirituele component te blijven voeden.”

Hoe reageren die studenten daarop?

Hij haalt zijn schouders op en even denk ik een zweem van teleurstelling over zijn gezicht te zien glijden. “Nauwelijks. De meesten reageren daar amper op. Er is veel desinteresse. Een enkele keer heb ik wel eens gesprekken erover en raak ik ook wel eens teleurgesteld. Zo had ik eens een studente die vertelde dat ze als kind een geloofservaring had gehad, maar dat ze daar overheen gegroeid was. En de manier waarop ze dat beschreef was: ik ben zo blij dat ik dat achter me heb gelaten! En dan denk ik: goh, wat jammer. Als je toch dat zintuig had, dat je heel sterk het gevoel had dat God bestaat, en dan tegen dat milieu van je ouders en de kerk vechten, ja, dan denk ik: goh, wat jammer.”

Maar was je geloof dan een rationeel besluit?

“Nee, zo was het natuurlijk niet. Ik ben bijvoorbeeld gelovig opgevoed. Geloofstwijfels kwamen pas later, vooral na het overlijden van mijn vader. Bestond dat eeuwig leven wel, dat mij was geleerd? Mijn vader [ook een Leids fysicus, T.S.] zei gewoon op zijn sterfbed: ‘Nou, ik ben wel benieuwd, we zullen wel zien.’ Prachtig! En toen dacht ik: het is eigenlijk wel goed zo. Ik heb de zekerheid die ik als kind had niet echt nodig. Ik besloot dat ik wilde leven vanuit het geloof dat God bestaat, hoewel ik geen manier weet om daarachter te komen.”

 

3.

“Ik heb geen godservaring, het gevoel dat mensen zich plotseling opgenomen voelen in iets groters. Ik zou dat best willen hebben, maar ik heb het niet. Ik zou best eens als Paulus in Damascus gegrepen willen worden: even alles in een grandioos licht zien, en dan mag het de rest van mijn leven duister zijn. Maar ik heb het niet. Ik ben het typje niet om me daarvoor open te stellen. Ik ben te rationeel. Daarom zal ik het wel nooit ervaren. Mijn vrouw heeft dat wel: een soort zintuig, een talent.”

Maar vanwaar dan toch dat geloof?

“Ik heb sterk het besef dat ik geleid word. Nu terugkijkend zie ik momenten in mijn leven waarop het zo verkeerd had kunnen aflopen. En toch ging het goed.”

Dan, na een ogenblik nadenken: “Maar misschien was het ook wel toeval, ik weet het niet.”

 

4.

Beenakker is enthousiast als hij spreekt over zijn geloof. Toch komt niet de aanwezigheid, maar vooral de afwezigheid van God ter sprake. Hij wil niet dat God bewezen wordt. God zou zich verborgen hebben. De wereld is geen kijkdoos.

Dus: hoe beter God zich weet te verbergen, hoe groter God is?

“Ja, hij zal zich niet laten ontdekken. Er is een prachtig middeleeuws traktaat: De Wolk van Niet-weten. Dat heeft me heel erg aangesproken. Dat idee dat we God wel even kunnen kennen, ja dat speelt vooral in de katholieke kerk heel sterk. Mensen weten alles. Allemaal onzin, volgens mij. Ik denk dat de meer sophisticated katholieken – en protestanten denk ik ook – dat ook best weten. De kwestie is simpelweg deze: de kerk heeft een boodschap voor iedereen. En dan kun je niet al te relativerend zijn. Je moet voor iedereen duidelijk zijn. Maar uiteindelijk zullen ook die meer sophisticated theologen het toegeven: we weten het niet. Nee, ik denk dat als God bestaat, Hij niet zomaar door te rekenen zal zijn. Het zal een worsteling zijn om er achter te komen.”

Ondanks zijn enthousiasme blijft Beenakker rationeel. Toch lijkt hij te beseffen dat de ratio maar zeer beperkt is. Komt zijn spiritualiteit dan wellicht voort uit het besef dat er grenzen zitten aan de ratio?

“Grenzen aan de verbeelding, dat zeker. Kijk, over het eeuwige leven, dat je bij Petrus aan de hemelpoort komt en zo” – hij lacht hardop – “dat is toch totale lariekoek. Kijk, er zal wel wat zijn, ik weet het niet. Maar hoe dat zal zijn… Geen idee. Ik weet dat er grenzen zijn aan mijn verbeelding. Neem alleen al het heelal – dat is zoveel groter dan ik me kan voorstellen. Dat heeft natuurlijk ook met mijn wetenschappelijke werk te maken. Als je kijkt naar hoe de afgelopen eeuw de wetenschap zich heeft ontwikkeld, dan denk ik dat we nog maar het tipje van de ijsberg zien. Onze verbeelding is erg beperkt door wat we om ons heen zien, dus ik denk dat we ons nog ontzettend kunnen laten verrassen.”

Zou het dan toch kunnen dat ID uiteindelijk gelijk heeft? Dat de wereld toch ontworpen is?

“Kijk, het zou kunnen. We denken bijvoorbeeld dat zoiets als leven ergens anders ook zal zijn, maar we weten het niet. Als we er op een gegeven moment achter zouden komen dat er echt nergens anders leven is, dat zou dan wel een heel sterk godsbewijs zijn. Er is dan kennelijk iets op aarde gebeurd, dat uniek is in het heelal. Maar dat is geen ID. Ik geloof dan eerder dat God het toeval een beetje naar zijn hand heeft gezet.”

 

5.

Het is ondertussen bewolkt geworden, merk ik als ik terug loop naar het station. Jammer. Weldra zal het zelfs gaan regenen. Ik voel me enigszins verward. Maakt wetenschap nu atheïstisch of niet? Beenakker zegt van wel, maar is zelf gelovig, dus…?

Zo het gesprek overdenkend, met de beats van Ferry Corsten nog altijd in mijn oordopjes, loop ik verder: I tried God, but God’s a fake… blah blah blah…[ii]


[i] F. Corsten, “Show Your Style”, feat. Birgit, track 11 van het album Right of Way (2003).

[ii] F. Corsten, “Whatever!”, track 2 van het album Right of Way (2003).

 

Wat zijn de “morning pages”?

 

Regelmatig twitter ik ’s ochtends vroeg via mijn mobieltje dat ik mijn drie pagina’s morning pages weer klaar heb. Meestal is dat zo rond zes uur ’s ochtends. De laatste tijd krijg ik daar wel eens vragen over. Wat zijn dat, morning pages? Ik heb het idee van de Amerikaanse schrijfster Julia Cameron die een behoorlijk briljant boek heeft geschreven, The Artist’s Way, een van de klassiekers op het gebied van schrijf-coaching. Wat Cameron met de morning pages bedoelt, kun je ook op het internet vinden (bijvoorbeeld HIER), maar het komt op het volgende neer.

De bron van schrijfproblemen

Veel mensen hebben moeite met schrijven. Dit komt omdat, wanneer ze bezig zijn een tekst te schrijven, in feite met twee zaken tegelijkertijd bezig zijn. Enerzijds proberen ze zo snel mogelijk hun ideeën op papier te zetten. Anderzijds proberen ze wat ze willen zeggen zo goed mogelijk verwoorden. Dit betekent dat veel mensen voortdurend zitten na te denken over wat ze moeten schrijven, maar ook over hoe ze dat moeten doen – wat het schrijven dus gigantisch vertraagt.

Stel dat je zit te schrijven en er zit voortdurend iemand over je schouder mee te kijken naar ieder woord wat je tikt, en die zegt: “Vergeet niet die punt aan het eind… Nee, dat woord is met ‘dt’… Is dat wel duidelijk genoeg verwoord?… Volgens mij klopt de volgorde van die zinnen niet”, etc. Je zou je dood ergeren en het schrijven zou bar weinig opschieten. Maar toch is dat precies de manier waarop veel mensen schrijven. Terwijl ze eigenlijk bezig zouden moeten zijn om zo snel mogelijk hun gedachten op papier te krijgen, zitten ze voortdurend te letten op de meest adequate formulering en zijn daarbij tegen zichzelf nog kritischer dan een echte redacteur zou zijn. En dat is zonde van de tijd. Het is autorijden met de handrem er nog op.

Schrijven door processen te scheiden

Om productief te zijn, moet je proberen om tijdens het schrijven je innerlijke redacteur zoveel mogelijk op afstand te houden. Je wilt je innerlijke redacteur niet helemaal kwijt, want als je eenmaal je tekst klaar hebt, dan heb je hem/haar nodig om de tekst die je geschreven hebt met een kritisch oog door te kijken. Het gaat dus niet om een worsteling met je redacteur om hem/haar om zeep te helpen of zoiets. De redacteur is nodig bij het proces van finetunen van een tekst, maar ook niet éérder. Het gaat dus om de taakverdeling.

Nu de morning pages. Het schrijven van morning pages is een techniek om je brein te trainen zo snel mogelijk woorden te produceren, dus om je brein te leren om te schrijven zonder dat je je interne redacteur aan het woord laat komen. Met andere woorden, de morning pages zijn een manier om je de taakverdeling van schrijven en kritisch evalueren eigen te maken. Er is tijd nodig om je brein te trainen. Evenals discipline en structuur, want je brein is geneigd om snel weer in vastgeroest gedrag te vervallen. Cameron stelt derhalve het volgende voor.

De procedure van morning pages

Sta een half uur eerder op dan je normaal gewend bent. Zodra je uit bed komt, pak je pen en papier en ga je aan een tafel zitten schrijven. Je schrijft vervolgens drie bladzijden vol – niet meer en niet minder. Je doet dat zonder na te denken over wat je schrijft. Je denkt ook niet na over stijl, over punctuatie – met andere woorden, je maakt je totaal niet druk om die dingen waar normaliter je interne redacteur op zit te letten. Je schrijft gewoon op wat er in je hoofd opkomt, pure stream of consciousness. Je denkt er niet over na of iets gepast of ongepast is om te schrijven (geen redacteur please!), maar je schrijft gewoon, al is het de grootste onzin. En als de drie bladzijden vol zijn, leg je de pen neer. Dat is het. En dit doe je iedere ochtend, dus niet alleen doordeweeks, maar ook in het weekend.

Let wel, je redacteur komt er dus bij de morning pages helemaal niet aan te pas. Want je gaat niet na afloop je teksten oppoetsen of iets dergelijks (tenzij je het hoogmoedige idee hebt dat je je meest briljante teksten direct na het opstaan schrijft). Je laat de teksten gewoon voor wat ze zijn. Je vergeet ze. Je mag ze weggooien. Alles is toegestaan. Of je bewaart ze. It’s up to you. Je moet echter bij het schrijven niets van jezelf verwachten, houd het klein. Denk niet na over het nut van het schrijven, maar doe het gewoon. De morning pages zijn voor jezelf, je laat ze niemand anders lezen, en daardoor kun je er alles in opschrijven wat er in je opkomt, al is het nog zo vilein of schunnig. En vooral: al is het nog zo slecht.

Ik houd mij altijd voor ogen: het gaat er niet om wat je schrijft, maar dat je schrijft. Het gaat niet om het product, maar om het proces. Van buitenaf gezien is het schrijven van de morning pages een nutteloze onderneming. Dat dat oordeel echter volstrekt onjuist is, merk je pas als je het een tijdje doet.

O ja, en je schrijft met pen en papier. Je pakt dus niet je laptop of iPad. Je maakt van schrijven een echt lichamelijke oefening door met pen en papier te schrijven, lekker ouderwets, langzaam en bijna meditatief. Heel frustrerend soms, dat gekriebel op de vroege ochtend, en juist daarom precies goed. 

Een persoonlijk ritueel

Ik bewaar alles wat ik ’s ochtends schrijf. Ik ben ruim anderhalf jaar geleden begonnen met het schrijven van de morning pages. Eerst in een 17-rings multomap, maar na zes mappen ben ik overgegaan op Moleskines. Die zijn gemakkelijker mee te nemen (bijv. naar een congres of op vakantie) en nemen minder ruimte in beslag als ze vol zijn.

Iedere ochtend sta ik om half zes op (dus ruim voordat de rest van het gezin wakker wordt; in het weekend sta ik overigens iets later op, ik ben geen masochist). Vervolgens ga ik in mijn badjas aan de keukentafel zitten en schrijf ik drie bladzijden morning pages. Hoppekee, in één keer achter elkaar. Pas als die klaar zijn kan mijn dag beginnen (en ben ik meestal toe aan koffie). En dit doe ik iedere dag. Het is een ritueel geworden, een structuurelement in mijn leven. Ik kan er momenteel niet meer zonder. Soms schrijf ik over dromen die ik heb gehad, soms schrijf ik over ergernissen, soms schrijf ik over hoe moe ik nog ben, soms schrijf ik dat ik niet weet wat ik moet schrijven, etc. Ik bewaar alles, ik stel me voor dat het over enkele jaren leuk is om het allemaal  nog eens door te lezen (als ik tijd heb, want je accumuleert ontzettend veel tekst in korte periode!). Ik onderteken mijn morning pages ook altijd, met de datum, tijd van afronden, en de temperatuur buiten (afgekeken van mijn draadloze weerstation). Maar dat is mijn eigen tick. Tot nu toe heb ik nog nooit iets van de morning pages gebruikt voor een andere tekst. Vanuit een redacteursperspectief is het wat ik heb geschreven gewoon niet voor publicatie geschikt. Bovendien zou er een bepaalde psychische druk ontstaan wanneer ik erover zou nadenken dat mijn morning pages ook voor andere dingen gebruikt zouden kunnen worden. Nee, het moet gewoon een nutteloze exercitie blijven. 

De morning pages hebben mij geholpen om productief te worden en te blijven. Ik ben in staat om in vrij korte tijd behoorlijk wat tekst te produceren, omdat ik in staat ben om mijn interne redacteur even haar mond te laten houden en eerst te schrijven. Als ik klaar ben met schrijven heb ik meestal genoeg tijd over om rustig naar mijn schrijfsels te kijken met mijn interne redacteur. (Ik stel me bovendien zo voor dat mijn interne redacteur een schitterende vrouw is, zoals Olivia Wilde of Anna Drijver – en voor zo’n vrouw neem je uiteraard alle tijd. En als zij kritische opmerkingen maken, dan luister je nauwlettend.) 

Ik ben in staat om gedisciplineerd eerst te schrijven (en te vertrouwen op mijn onderbewuste) en daarna pas de tijd te nemen om kritisch te kijken naar wat ik heb geschreven. De morning pages helpen mij om de processen in mijn hoofd en in de praktijk te scheiden. 

Dus als je mij volgt op Twitter en ’s ochtends een tweet krijgt over de morning pages, dan weet je wat ik heb zitten doen. Doe je ook mee?


Meer weten?

Wil je meer weten, dan kan ik je het inspirerende boek The Artist’s Way van Julia Cameron van harte aanbevelen. Dit boek is los verkrijgbaar, maar bij Amazon.com is er een ingebonden editie van haar complete schrijftrilogie verkrijgbaar: The Complete Artist's Way: Creativity as a Spiritual Practice waarin dus ook The Artist's Way – het eerste deel van de trilogie - compleet is opgenomen. 

Ook aan te raden is het boek van Peter Elbow, Writing with Power: Techniques for Mastering the Writing Process, dat ook onder academici een stijgende bekendheid geniet. Elbow beschrijft analoog aan Cameron het proces van het scheiden van schrijven en editen door het proces van freewriting.

Het puzzelboekje

Terwijl ze de deur openzwaaide, riep ze: “Jan! Ik ben thuis!”

“Jaja, ik hoor je. Ik ben in de keuken. Kom er zo aan.”

Ze zette kwiek de twee grote gevulde boodschappentassen in de gang, trok de sleutel uit de voordeur en sloot die vervolgens achter zich. Daarna draaide Marie de voordeur aan de binnenkant op slot. Je kon maar nooit weten. De wereld was niet meer als vroeger.

Ze hing haar jas aan de kapstok bij de deur. Daarna tilde ze de tassen vol boodschappen op en schuifelde door de gang, door de huiskamer en het hoekje om naar de keuken, waar ze Jan aantrof die staande aan de keukentafel de aardappels schilde. Snel ging het niet meer, viel haar op. Zijn handen waren oud, de huid gerimpeld, de gewrichten stram. Ze wilden niet meer. Oude man.

“Heb je het al gehoord?” zei ze, terwijl ze begon de tassen langzaam uit te pakken. Het brood, dat keurig bovenaan in de tas lag, ging in het vriesvak.

“Wat?” Hij keek niet op, maar schilde onverstoorbaar door.

“God is dood.”

“Echt?” Hij stopte pardoes met schillen en keek haar aan. “Weet je het zeker?”

“Ja, ik las het in de supermarkt, toen ik een puzzelboekje pakte. In een krant of tijdschrift. Je weet wel.”

Jan knikte. Daarna ging hij verder met schillen.

“Welke?”

“De onze, je weet wel. Niet die van de moslims of de joden.”

Jan stopte met schillen. “Nee, ik bedoelde: in welke krant of tijdschrift heb je dat gelezen?”

“Oh zo. Weet ik niet meer. Een opinietijdschrift of zo.”

“Dus geen roddelblad?”

Marie schudde haar hoofd. “Die lees ik toch niet?”

Jan schilde weer verder en zweeg.

Maar even later: “Wanneer is het gebeurd?”

“Dat stond er niet bij.”

“En hoe?”

“Stond er ook niet bij. Ik heb niet het hele artikel gelezen, dat duurde me te lang. En het was moeilijk geschreven.” Ze haalde twee flesjes bier uit de tassen, twee Duvels, Belgische juweeltjes voor Jans zaterdagavond.

“Maar het schijnt dat mensen hem hebben vermoord”, zei ze terwijl ze de twee flesjes in de koelkast zette.

“Goh”, zei Jan, zijn onderlip geïmponeerd vooruitstekend. “Stond er ook hoe?”

Marie schudde haar hoofd.

“Heb je de twee biertjes meegenomen die ik je had gezegd?”

“Heb ik net in de koelkast gezet”, zei ze. “Nog geen twee twee tellen geleden.”

“Oh. Dank je.”

Zwijgen.

“Hoe oud is hij geworden?”

“Stond er ook niet bij. Maar oud, neem ik aan. Hij gaat al een tijdje mee.”

Opnieuw zwijgen. Alleen het zachte raspen van een mesje door de aardappelschil.

“En weten ze al wat ze met hem gaan doen?”, vroeg Jan plotseling. “Gaan ze hem begraven? Of cremeren?”

“Geen idee. Zal wel begraven worden. Dat doen ze toch met al die hoge pieten?”

“Wat denk je, zullen ze een tombe voor hem maken? Of bijzetten in een kerk of zo?”

“Hij is toch geen lid van het koninklijk huis, toch?”

“Volgens mij niet.”

Marie haalde haar schouders op, terwijl ze het laatste pak melk in de koelkast zette. “Dan heb ik geen idee.”

“Had hij nog familie?”

“Ja, een zoon, schijnt het.”

“Ah”, Jan knikte en pakte de volgende aardappel.

“Maar daar schijnt ie al zo’n tweeduizend jaar al geen contact meer mee te hebben gehad”, ging Marie verder. “Die is gewoon verdwenen.”

“Sneu voor hem.”

Marie knikte. Ze was klaar met boodschappen doen en vouwde de tassen op. Ze liep naar de gang om de tassen in de trapkast op te bergen. Vanuit de keuken hoorde Jan haar zuchten: “Tsja, dat heb je, hé, als je ouder wordt. Dan vergeten zelfs je eigen kinderen je.”

Toen ze de keuken weer binnen kwam, zei ze snibbig: “Zeg, schiet het bij jou wat op?”

“Ja”, zei Jan. “Ben bijna klaar. Nog twee. En we krijgen worteltjes.”

“En het vlees?”

“Gehaktballen. Twee stuks. Voor ons ieder eentje. Zitten al in de pan, maar ik moet ze nog bakken.”

“Doe je een uitje in de jus?”

“Doe ik.”

Ze knikte (wat hij niet zag) en liep de keuken uit. In de huiskamer liet ze zich zakken op een stoel, en terwijl in de keuken Jan zich verder met het eten bemoeide, maakte zij ontspannen de laatste kruiswoordpuzzel uit haar boekje. Ook die puzzel was bijna klaar. Het nieuwe boekje lag al klaar. Toch raakte ze nog net even in de knoop. Over een cruciale naam.

“Duitse filosoof, negen letters, eerste letter ‘n’, tweede letter ‘i’, laatste letter ‘e’”, mompelde ze, om vervolgens te concluderen: “Ik heb geen idee.”