“Post-theïsme”: Het atheïsme voorbij

Op het Freethinker-forum wordt druk gespeculeerd over mijn gebruik van de term “post-theïsme”. Ik ben nog altijd niet actief op het FT-forum. Niet omdat ik niet wil (soms zit ik te popelen), maar omdat ik simpelweg momenteel de tijd niet heb om actief aan discussies deel te nemen. Ik kom er momenteel maar amper aan toe om mijn weblog aan te vullen. In elk geval is duidelijk dat de atheïsten daar radeloos worden als het woordje “God” niet meer eenduidig naar het persoon-achtige, actieve, bovennatuurlijke handelende wezen verwijst dat normalerwijze met “theïsme” wordt benoemd. Want ja, stel nu eens dat je als atheïst begint te twijfelen…? En dus worden er allerlei retorische strategieën uitgeprobeerd om de term post-theïsme bij voorbaat te diskwalificeren.

Immunisering en rookgordijnen

Zo schrijft P. Vroon: “Maak het ondoorzichtig, trek een rookgordijn en de mensen raken het spoor bijster. Toch weer een creatieve vondst van Taede. Je kunt zeggen wat je wilt, maar hij staat niet stil in zijn zoektocht naar benamingen. De cryptochristenen slaan weer toe.” Vroon beweert dus dat de term post-theïsme een immuniseringsstrategie is, die godsgeloof enerzijds redt, maar tegelijkertijd de dood van duizend kwalificaties laat sterven. Ik maak het woordje “God” betekenisloos, en hoewel ik daarmee denk zinvolle uitspraken te doen, zeg ik eigenlijk niets meer.

En Erik schrijft: “Taede is doodgewoon een doorsnee atheist voor zover je van doorsnee kunt spreken. Maar hij is als de dood om gezien te worden als gewoon een atheist. Hij wil zichzelf op een voetstuk plaatsen dmv dit soort verzinsels.” Deze strategie is tweeledig. Enerzijds haalt Erik mij binnen in het kamp van de atheïsten. Anderzijds geeft hij ook aan dat ik nog niet zover ben als de andere atheïsten. Ik ben nog niet bereid om mijn laatste restje geloof te laten varen.

Diezelfde trend zie ik ook in de opmerkingen van Rereformed, die niet vies is van psychologiseren: “Exact zo zie ik het ook. Volgens mij zijn al dit soort zaken de restanten van het denken dat van kinds af aan is opgegroeid met verhalen over God. Al die fasen met rookgordijnen behoren tot het afstervingsproces van de religie in de psyche van een persoon die er zeer diep aan verbonden is geweest.” Rereformed noemt het een afstervingsproces, ik noem het “de weg van geloof”. Het is een verschil in perspectief, maar voor mij is geloof niet statisch, maar verbonden met de weg die mijn leven volgt. Mijn ideeën veranderen, dus ook mijn geloof en dus mijn godsbeeld.

Dat ik steeds minder met theïstisch taalgebruik uit de voeten kan, heeft niets te maken met verlies van geloof (hoewel atheïsten én orthodoxe gelovigen dat wel vaak zo zien), maar is juist een uiting van een zoeken naar de waarheid. Echter, een atheïst als Rereformed kan niets met een diffuus, niet-persoonlijk godsbeeld. Zo verzucht hij: “Ik begin er zelf moe en moedeloos van te worden. Ik kan niets met een invulling van God als iets anders dan dat het om een wezen zou gaan. Voor mij is ieder ‘iets’ (=geen bewustzijn) geen God en ieder ‘iets’ wat niet eens aangewezen kan worden zelfs niet eens de naam ‘iets’ waard.”

De grenzen van vrijdenken

Het atheïsme van Rereformed lijkt solide in de zin van vaststaand, onwrikbaar, onwankelbaar – en daarmee verschilt het niet zoveel met een situatie van dood zijn. Het denken stopt gewoon. Je vindt religie wellicht interessant, maar hooguit als een element van de cultuur of een archaïsch restant van de menselijke natuur dat door de rede is achterhaald. Als je zo in het leven staat: prima. Wie ben ik om daar iets van te zeggen? Maar ik vind het wel heel gemakkelijk. Het is mij te gemakkelijk.

Erik schrijft elders in een reactie op Rereformed: “En het is imo niet zozeer atheïsme waar je [=Rereformed, T.S.] op uit kwam maar een vrij denkende geest door het wegvallen van onnodige ballast die een helder zicht vertroebelden. Dat dat automatisch een atheïst maakt van je is een logisch gevolg. Dit atheïsme (vrijdenken) is in mijn ogen meer waard dan de wereld die Taede in stand wil houden met allerlei kunstmatige termen als post-theïsme.”

Vrijdenken is dus denken zonder “onnodige ballast die een helder zicht vertroebelt”. Godsgeloof wordt als een dergelijke ballast gezien. Een vrijdenker is daarmee “automatisch” een atheïst. Sorry Erik, maar dit is de taal van de wensdroom. Jij ziet godsgeloof als een verklaring, als een antwoord. Ik zie God als een vraag: is dit alles? Is wat we zien, ruiken, horen, proeven – of dat nu met onze natuurlijke zintuigen is of met technologie – alles wat er is? Ja, zeggen atheïsten. Ik weet het niet, zeg ik. Ik waag het te betwijfelen. Dat is een waagstuk, maar dat is voor mij geloof. Iedere menselijke zekerheid is een schijnzekerheid. Godsgeloof voor mij betekent het ultieme scepticisme: het stelt vraagtekens bij alles wat wij denken te weten.

Het einde van het theïsme

Ik gebruik de term “post-theïstisch”, maar ik had het ook “pre-theïstisch” kunnen noemen. Het theïsme is namelijk een uitvinding van de Verlichtingsfilosofie. Het is het resultaat van een poging om het spreken over God te systematiseren door middel van categorieën uit de achttiende-eeuwse filosofie. Dat is zo succesvol geweest – met name onder theologen en predikanten die dit godsbeeld weer in traktaten en preken aan hun gelovigen overbrachten – dat vandaag de dag de meeste christelijke gelovigen in West-Europa theïsten lijken te zijn. Zij lijken te geloven in “something like a ‘person without a body (i.e. a spirit) who is eternal, free, able to do anything, knows everything, is perfectly good, is the proper object of human worship and obedience, the creator and sustainer of the universe’.” (R. Swinburne, The Coherence of Theism. Rev. ed. (Oxford: Clarendon Press 1993), 1.)

Vóór de Verlichting was er geen theïsme. De God van de Bijbel is geen theïstische god. Over God wordt in menselijke termen gesproken – het is een antropomorfe God die we in de Bijbel tegenkomen. Die vertoont weliswaar theïstische trekken – het theïsme was niet uit de lucht geplukt, maar wel degelijk ergens op betrokken – maar ís geen theïstische God. Termen als ‘almacht, alwetendheid, alomtegenwoordigheid’, enz., die verbonden zijn met “theïsme”, kom je in de Bijbel niet tegen. Ook de God van de kerkvaders was geen theïstische God, hoewel ook hier geldt dat hun spreekwijzen theïstische trekken vertoont. Post-theïsme is dus ook in het pre-theïstische tijdperk te vinden.

Het grote punt bij post-theïstisch spreken over God is dat dit spreken de Verlichting meeneemt. Het is geen pre-modern spreken over God (hoewel atheïsten dit wel graag zo karakteriseren). Het is proberen ervaringen van transcendentie te verwoorden in hedendaagse concepten, in het besef dat het theïsme als systeem gefaald heeft en dat geen enkel concept moet worden verbsoluteerd. Theïsme is, zoals ieder filosofisch systeem, beknellend en potentieel gewelddadig, zoals Horkheimer & Adorno ook hebben laten zien dat het Verlichtingsdenken beknellend en potentieel gevaarlijk is. Ieder systeem doet het menselijk denken geweld aan, probeert het aan banden te leggen. Ook de atheïstische systemen van de Vrijdenkers op het FT-forum doet dat. Ze zien niet dat hun atheïsme ook een blinde vlek is, dat dit een bril is die hun oordelen kleurt. En ze oordelen maar raak, zo liet ik hierboven al met enkele voorbeelden zien. Vrijdenken houdt dus blijkbaar niet in dat ze zo onbevooroordeeld mogelijk de materie bezien.

Een pluraliteit aan godsbeelden

Overigens is “post-theïsme” als term een verlegenheidsoplossing. Het gaat hier niet om een theologische stroming of iets dergelijks. Het is geen theologisch systeem dat een alternatief voor het theïsme wil zijn. Post-theïsme is gewoon een parapluterm voor theologische benaderingen die zich impliciet of expliciet afzetten tegen het theïsme.

Centraal staat de acceptatie van de veelheid aan godsbeelden die de christelijke traditie kent. Zoals Antje Jackelén, de Lutheraanse bisschop van Lund (Zweden) en de huidige president van ESSSAT, schrijft: “Admittedly, the plurality of images of God that resides in theology complicates dialogue with sciences and scientists who ask for an unambiguous and unequivocally defined God-term to insert into the existential equations. Nevertheless, I regard it to be the responsibility of a theologian to resist such simplifications and remain faithful to the task of keeping the tension between the cataphatic and the apophatic alive, even in religion-and-science.” (A. Jackelén, ‘A Critical View of “Theistic Evolution”’, Theology and Science 5 (2007), 151-165, citaat van p. 154.)

Jackelén verwijst in haar artikel naar theologen als Meister Eckhart, Sergei Bulgakov, John Caputo, Paul Tillich, Jean Luc Marion. Ze had ook stromingen binnen de bevrijdingstheologie of de hedendaagse post-koloniale theologie kunnen noemen. Het zijn allemaal voorbeelden van theologieën die ontotheologie (een term van Heidegger) afzweren en die Nietzsches idee van de dood van God onderschrijven en tegelijkertijd verwerpen: “together, they identify multiple cracks in the pot of rational ontological conceptualization. They point to the possibility of new knowledge emerging at and through the ruptures that can be found in all systems of knowledge” (153). Een betere karakterisering van post-theïstische theologie heb ik nog niet kunnen vinden.

Atheïsme en het Niets

Is dit post-theïsme atheïstisch? Ja, het is a-theïstisch: het theïstisch godsbeeld wordt verworpen als niet langer adequaat. De God van het theïsme bestaat niet. Nietzsche wordt in dat opzicht in het gelijk gesteld. Maar is het ook atheïstisch? Nee. Want ook atheïsme is een “ontologische conceptualisering”, en zoals in ieder “system of knowledge” vertoont ook atheïsme “ruptures” die post-theïsten niet pogen te lijmen, maar juist accentueren.

Maar ik begrijp best dat orthodoxe gelovigen en atheïsten hier bang voor worden. Als je je levensbeschouwing ophangt aan één beeld (of de ontkenning daarvan), en dat beeld blijkt eigenlijk hol en leeg, dan (om Heideggers oratie Wat is metafysica? te parafraseren) blijkt plotseling dat je in het Niets zweeft en dan ontstaat angst. Heel begrijpelijk. Want “in de angst wordt het zijnde in z’n geheel broos” (Heidegger, in de vertaling p. 60). Wat post-theïsme níet wil, is die angst bezweren, hooguit wil ze die kanaliseren. Post-theïsme is eng, want het accepteert dat we in het Niets zweven. Of zoals de post-theïstische theoloog Erik Borgman in Trouw terecht stelt: Theologie moet niet sussen, maar de dreiging laten voelen. Namelijk de dreiging die van ieder denksysteem als schijnzekerheid uitgaat – of het nu gaat om theïsme of atheïsme.